ECLI:NL:RBROT:2025:15386

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
10-345951-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie in vervolging stalking; veroordeling voor dwang, vernieling en huisvredebreuk

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van stalking, dwang, vernieling en huisvredebreuk. De officier van justitie vorderde niet-ontvankelijkheid in de vervolging voor het stalking feit, omdat de aangeefster haar aangifte had ingetrokken. De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie niet-ontvankelijk was in de vervolging van het primair ten laste gelegde feit, maar dat de vervolging voor de overige feiten ontvankelijk was. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan dwang, vernieling en huisvredebreuk. De verdachte had in de periode van 1 juni 2024 tot en met 29 oktober 2024 de aangeefster stelselmatig lastiggevallen door haar te bellen en berichten te sturen, ondanks dat zij had aangegeven dat zij geen contact meer wilde. Op 29 oktober 2024 drong de verdachte wederrechtelijk de woning van de aangeefster binnen door een ruit in te slaan. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 129 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10-345951-24
Datum uitspraak: 24 november 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] ,
raadsman mr. T.S. Kessel, advocaat te Dordrecht.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 november 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:
  • niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde en partiële vrijspraak van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde ten aanzien van de pleegperiode 1 november 2023 tot en met 31 mei 2024;
  • bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 129 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsrapport van 30 oktober 2025, met uitzondering van het contactverbod, en dadelijke uitvoerbaarverklaring van deze voorwaarden en het reclasseringstoezicht;
  • oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een locatieverbod zoals omschreven in het reclasseringsrapport, voor de duur van 2 jaar, met per overtreding een hechtenis van 2 weken, met een maximum van 6 maanden, en dadelijke uitvoerbaarverklaring van deze maatregel.

4.Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.
Standpunten (belaging)
De officier van justitie heeft gesteld dat zij niet-ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van feit 1 primair, omdat de aangeefster twee dagen na de aangifte schriftelijk te kennen heeft gegeven dat zij de aangifte ter zake van stalking wil intrekken.
De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1 primair, omdat vervolging alleen kan plaatsvinden op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. De aangifte van aangeefster houdt geen verzoek tot vervolging in en daarmee is niet voldaan aan het klachtvereiste.
4.2.
Beoordeling
In het midden kan blijven of de aangifte tevens een klacht inhoudt. De aangeefster heeft twee dagen na haar aangifte te kennen gegeven deze niet te willen doorzetten. Dat is binnen de wettelijke termijn van artikel 67 Sr.
4.3.
Conclusie
De officier van justitie is niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 1 primair.

5.Waardering van het bewijs

Feit 1 subsidiair (dwang in de periode 1 november 2023 tot en met 29 oktober 2024)

5.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte niet als dwang in de zin van artikel 284 Sr kunnen worden aangemerkt. Geweld van de verdachte tegen de aangeefster kan niet worden bewezen. Evenmin kunnen andere feitelijkheden worden bewezen die tot (psychische) druk bij de aangeefster hebben geleid waartegen zij geen weerstand kon bieden. De verdachte heeft weliswaar relatief veel naar de aangeefster gebeld, maar hij heeft de signalen van de aangeefster over het einde van de relatie verkeerd opgevat. De aangeefster heeft na het doen van haar aangifte verklaard dat zij die onduidelijkheid over het einde van de relatie begrijpt. Er is dus geen dwang geweest, maar verwarring.
5.2.
Partiële vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte zich in de ten laste gelegde pleegperiode van 1 november 2023 tot en met 31 mei 2024 schuldig heeft gemaakt aan dwang. Daarom volgt vrijspraak voor deze pleegperiode.
5.3.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 juni 2024 tot en met 29 oktober 2024 schuldig heeft gemaakt aan dwang. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
Feiten
De verdachte en de aangeefster hebben een langdurige relatie met elkaar gehad. Op welk moment deze relatie door de aangeefster is beëindigd, kunnen de aangeefster noch de verdachte precies aanwijzen. Zij zijn het erover eens dat de relatie in ieder geval in juni 2024 voorbij was. De aangeefster heeft toen tegen de verdachte gezegd dat zij ruimte wilde en dat zij niet meer op zijn berichten zou reageren.
De aangeefster meldt zich op 4 september 2024 zichtbaar geëmotioneerd en angstig op het politiebureau. Zij verklaart dat zij door de verdachte wordt lastiggevallen en dat hij elke dag naar haar woning komt. Om hem rustig te houden, onderhoudt zij nog telefonisch contact met hem. Zij verklaart dat de verdachte erg controlerend is en dat hij haar niet kan loslaten. De aangeefster verklaart ook dat zij de verdachte nog steeds tot haar woning toelaat omdat zij erg bang voor hem is.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode 1 juni 2024 tot en 29 oktober 2024 veelvuldig contact met de aangeefster zoekt. Hij belt haar vaak en stuurt haar steeds berichten. Ook terwijl de aangeefster op 4 september 2024 in het politiebureau is voor een gesprek dat ongeveer drie en een half uur duurt, belt de verdachte dertig keer naar de aangeefster en stuurt hij haar meerdere WhatsApp-berichten.
De verdachte gaat ook herhaaldelijk naar de woning van de aangeefster. Als de verdachte op 9 oktober 2024 door de politie in zijn auto vlakbij de woning van de aangeefster staande wordt gehouden, verklaart hij aan de verbalisant dat hij wilde controleren of de aangeefster thuis was, omdat hij bang is dat zij met een ander in de woning is.
Meerdere buurtbewoners verklaren tijdens een buurtonderzoek van de politie op 30 oktober 2024 dat de verdachte in de weken daarvoor bij de woning van de aangeefster wordt gezien. Getuige [naam getuige] , een buurman van de aangeefster, verklaart dat hij de verdachte vaker in de buurt ziet rijden en ziet staan.
Op 29 oktober 2024 gaat de verdachte wederom naar de woning van de aangeefster. De aangeefster verzoekt hem om weg te gaan. De verdachte verschaft zichzelf vervolgens toegang tot de woning, nadat hij een gat in het raam van de voordeur heeft geslagen en met zijn hand door dat gat de deur heeft opengemaakt. De aangeefster heeft zich daarvoor al in het toilet opgesloten en belt daar in paniek haar moeder. De moeder van de aangeefster belt de politie. Ondertussen vertrekt de verdachte weer uit de woning.
De beoordeling
Er is sprake van dwang in de zin van artikel 284 Sr als een ander door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging daarmee wordt gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich door het voornoemde handelen schuldig gemaakt aan dwang. De verdachte hield zich veelvuldig op in de straat en bij de woning van de aangeefster, onder meer om te controleren of zij thuis was. Hij stuurde haar veel berichten en belde haar vaak, terwijl de relatie voorbij was en de aangeefster ruimte wilde. Hierdoor heeft de verdachte de aangeefster gedwongen tegen haar wil contact met hem te hebben en heeft de verdachte door zijn gedragingen de aangeefster gecontroleerd.
De onduidelijkheid over de relatiestatus in de periode vóór juni 2024 neemt niet weg dat het voor de verdachte vanaf juni 2024 wel duidelijk was dat de relatie voorbij was en dat de aangeefster ruimte wilde. De verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat het app-contact vanaf juni 2024 alleen van hem uitging. Uit een berichtenwisseling tussen de verdachte en de moeder van de aangeefster van 13 september 2024 blijkt bovendien dat aan de verdachte wordt gevraagd om de keuze van de aangeefster te respecteren. Toch gaat de verdachte ook daarna nog meermaals naar de woning van de aangeefster en zoekt hij nog steeds telefonisch contact met haar. De gedragingen van de verdachte kunnen daarom niet worden gezien als een gevolg van een misverstand over de relatiestatus.
De rechtbank verwerpt het standpunt van de verdediging dat de gedragingen van de verdachte niet tot psychische druk bij de aangeefster hebben geleid. De aangeefster heeft de telefoontjes en berichten van de verdachte steeds beantwoord om ervoor te zorgen dat de verdachte rustig bleef. Als de aangeefster niet reageerde, kon de verdachte soms tien keer achter elkaar bellen – zoals bleek tijdens het gesprek op het politiebureau – of ging hij naar haar op zoek. De verklaring van de aangeefster dat zij de verdachte steeds in haar woning heeft binnengelaten omdat zij bang voor hem was en vreesde dat hij de deur zou intrappen, acht de rechtbank geloofwaardig. Uit de gedragingen op 29 oktober 2024 blijkt immers dat een gesloten deur voor de verdachte geen belemmering vormde om de woning van de aangeefster alsnog binnen te treden, terwijl hij wist dat de aangeefster niet met hem wilde praten.
De gedragingen van de verdachte hebben bij de aangeefster tot een zodanige psychische druk geleid dat zij heeft moeten dulden dat de verdachte haar persoonlijke vrijheid aantastte door tegen haar wil veelvuldig contact met haar te leggen en bij haar woning en in haar straat te komen.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich aan de onder 1 subsidiair ten laste gelegde dwang schuldig heeft gemaakt.
Feit 2 (vernieling)
5.4.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte geen opzet op de vernieling heeft gehad. De verdachte heeft de ruit onbedoeld kapot gemaakt toen hij met zijn ring op de ruit tinkte.
5.5.
Bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de vernieling kan worden bewezen en dat de verdachte opzet op het stukslaan van de ruit heeft gehad.
De aangeefster verklaart dat zij hoorde dat de ruit van de voordeur werd ingeslagen. Getuige [naam getuige] verklaart dat hij de verdachte het portiek van de woning zag binnenlopen, dat hij iemand in het portiek luidruchtig hoorde zijn en dat hij vervolgens een harde klap hoorde.
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de ruit onbedoeld en als gevolg van het tikken met een ring kapot is gegaan. Daarbij wijst de rechtbank op de genoemde verklaringen van de aangeefster en de getuige en op de locatie van het gat in de ruit (naast het slot). Bovendien is de verdachte vervolgens de woning in gegaan door via het gat de deur te openen. Hieruit concludeert de rechtbank dat de verdachte het gat in de ruit opzettelijk heeft veroorzaakt met het kennelijke doel om de woning van de aangeefster binnen te komen.
Feit 3 (huisvredebreuk)
5.6.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
5.7.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1
hij in
of omstreeksde periode van1 juni 2024 tot en met 29 oktober 2024 te Dordrecht en
/of
Rozenburg, gemeente Rotterdam,
althans in Nederland,
een ander, te weten [slachtoffer] ,
door
geweld ofenige
anderefeitelijkheid
en/of door bedreiging met geweld of enige
andere feitelijkheidgericht tegen die ander
wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen
, niet te doenen
/ofte dulden, te weten
dat hij, verdachte, contact met haar opneemt en
/ofcontact met hem, verdachte, te
onderhouden en
/ofhij, verdachte, die [slachtoffer] controleert,
door:
- berichten te sturen via WhatsApp naar die [slachtoffer] en
/of
- te bellen naar die [slachtoffer] en
/of
- zich op de houden bij/voor de woning van die [slachtoffer] en
/of
- zich op te houden in de straat van die [slachtoffer] ;
2
hij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Dordrecht,
opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur
, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [slachtoffer] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft
vernield,
beschadigd
, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3
hij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Dordrecht,
in de woning (gelegen aan de [straatnaam] ), bij een ander, te weten bij
[slachtoffer] ,
althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd
(cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

6.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
Feit 1
een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen of te dulden
Feit 2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
Feit 3
het in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.

7.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

8.Motivering straf en maatregel

8.1.
Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
8.2.
Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten, die telkens waren gericht tegen zijn ex-partner en verband hielden met de beëindiging van de relatie. Hij heeft gedurende enkele maanden veelvuldig contact gezocht met zijn ex-partner, terwijl duidelijk was dat de relatie voorbij was en dat zijn ex-partner dat contact niet wilde. De verdachte heeft zich daar niets van aangetrokken en heeft zijn ex-partner toch berichten gestuurd en vaak gebeld. Om de verdachte rustig te houden, heeft de aangeefster – soms – de contactpogingen beantwoord, terwijl zij dat eigenlijk niet wilde en dat ook aan de verdachte had medegedeeld.
Ook is de verdachte vaak naar de woning van zijn ex-partner gegaan, terwijl de aangeefster had gezegd dat zij ruimte wilde. De aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte erg jaloers was. Toen de verdachte in de buurt van de woning van de aangeefster door de politie staande werd gehouden, verklaarde hij dat hij wilde controleren of de aangeefster in de woning was omdat hij bang was dat zij met een ander zou zijn. Het is echter niet aan de verdachte om te controleren of de aangeefster iemand anders in haar eigen woning toelaat. Door toch steeds weer naar haar woning te gaan, heeft de verdachte voor gevoelens van angst bij de aangeefster gezorgd. Die angst voor de verdachte was volgens de aangeefster zo groot, dat zij hem eerder tegen haar zin binnenliet dan dat zij ervoor koos om hem de toegang tot haar woning te weigeren.
De verdachte heeft laten zien dat een dichte deur hem niet weerhoudt om de woning van de aangeefster alsnog binnen te gaan. Terwijl duidelijk was dat de aangeefster geen gesprek met de verdachte wilde en hij al helemaal niet in de woning welkom was, heeft de verdachte met opzet de ruit in de deur kapot geslagen en zich de toegang tot de woning verschaft. De rechtbank rekent de verdachte deze handelingen zwaar aan.
In haar slachtofferverklaring heeft de aangeefster aan de rechtbank laten weten dat zij ook goede jaren met de verdachte heeft gehad. Zij hoopt daarom niet op een contactverbod omdat zij een mogelijkheid tot contact met de verdachte wil houden.
8.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
8.3.1.
Strafblad
De verdachte heeft een strafblad. Hij is niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Gezien ook de conclusies van de reclassering heeft de rechtbank in de beoordeling wel rekening gehouden met verdachtes justitieel verleden.
8.3.2.
Rapportages
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd op 30 oktober 2025. Dit rapport houdt – onder meer – het volgende in.
De verdachte heeft de afgelopen acht maanden reclasseringstoezicht met elektronische monitoring gehad, wat redelijk goed verloopt. Zijn praktische zaken zijn op orde en worden beschouwd als beschermende facturen: hij heeft werk en een woning en zegt zijn zaken financieel op orde te hebben. Er is geen helderheid over het psychisch functioneren van de verdachte. Hij heeft in het adviesgesprek meerdere keren gezegd dat sprake is van samenzweringen en externe krachten die inwerking hebben gehad op de situaties. Het is niet duidelijk waar dit vandaan komt. De reclassering vindt het wenselijk dat nadere gesprekken bij een forensisch polikliniek plaatsvinden, om dit nader in kaart te brengen.
De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als laag-gemiddeld.
De verdachte heeft bij de reclassering gezegd geen toezicht en geen behandeling bij Fivoor te willen. Hij ziet dat als overbodig, omdat hij zich niet als schuldige in het geheel ziet. Hij vindt het niet terecht dat hij twee jaar naar de reclassering en Fivoor moet en daar zijn tijd aan moet besteden. De reclassering vindt met name de gesprekken bij Fivoor wel belangrijk, mede vanwege het uitgebreide justitiële verleden.
Het advies van de reclassering is om een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod, een locatieverbod (zonder elektronische monitoring), dagbesteding en middelencontrole. De reclassering adviseert verder om de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen, met voornoemd contact- en locatieverbod, en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
8.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Bij de ernst van de feiten past een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De rechtbank ziet – met de reclassering en de officier van justitie – het belang van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met oplegging van de bijzondere voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van de aangeefster. Gelet op de periode waarin en de frequentie waarmee de verdachte contact bleef zoeken met de aangeefster en haar woning tegen haar zin binnendrong, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c lid 6 Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat alleen een locatieverbod passend is en dat een contactverbod niet geboden is. De aangeefster heeft te kennen gegeven dat zij de mogelijkheid tot contact met de verdachte wenst te houden en dat zij ook eventueel koffie met hem zou willen drinken. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van alleen een locatieverbod de aangeefster de mogelijkheid biedt om eventueel contact te onderhouden en haar tegelijkertijd bescherming in haar eigen woonplaats geeft.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht)
Ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren opgelegd, inhoudende een locatieverbod voor de woonplaats van de aangeefster. Bij overtreding dient (telkens) twee weken hechtenis te worden toegepast met een maximum van zes maanden.
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 138, 284 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover het betreft het onder 1 primair ten laste gelegde feit;
verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 129 (honderdnegenentwintig) dagen;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
30 (dertig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de verdachte de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de verdachte gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;
stelt als
bijzondere voorwaarden:
de verdachte meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland, telefoonnummer: [telefoonnummer] , adres: [adres 2] , [postcode 2] [plaats] . De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
de verdachte werkt mee aan de intakefase en/of een delictanalyse bij forensisch polikliniek Fivoor, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Als hieruit een behandelplan kan worden opgesteld, laat de verdachte zich behandelen door forensisch polikliniek Fivoor, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De intake/behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
de verdachte bevindt zich niet in de gemeente Dordrecht, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt (wel kan hij gebruik blijven maken van de snelweg A16 in beide richtingen);
de verdachte spant zich gedurende de proeftijd in voor het vinden en behouden van dagbesteding met een vaste structuur;
de verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht
dadelijk uitvoerbaarzijn;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de verdachte op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de
duur van 2 (twee) jaren,inhoudende dat de verdachte wordt bevolen:
1. zich niet op te houden in Dordrecht, gedurende 5 jaren na heden (wel kan hij gebruik blijven maken van de snelweg A16 in beide richtingen).
beveelt dat, voor het geval de verdachte niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op en zal in totaal ten hoogste zes maanden bedragen;
beveelt dat de maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.R. Rietveld, voorzitter,
en mrs. E.M. Havik en G.C. Bos, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Nagtegaal, griffier,
en uitgesproken op 24 november 2025.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij in of omstreeks 1 november 2023 tot en met 29 oktober 2024 te Dordrecht en/of
Rozenburg, gemeente Rotterdam,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,
door:
- berichten te sturen via WhatsApp naar die [slachtoffer] en/of
- te bellen naar die [slachtoffer] en/of
- zich op de houden bij/voor de woning van die [slachtoffer] en/of
- zich op te houden in de straat van die [slachtoffer] ,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of
vrees aan te jagen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks 1 november 2023 tot en met 29 oktober 2024 te Dordrecht en/of
Rozenburg, gemeente Rotterdam,
althans in Nederland,
een ander, te weten [slachtoffer] ,
door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige
andere feitelijkheid gericht tegen die ander
wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten
dat hij, verdachte, contact met haar opneemt en/of contact met hem, verdachte, te
onderhouden en/of hij, verdachte, die [slachtoffer] controleert,
door:
- berichten te sturen via WhatsApp naar die [slachtoffer] en/of
- te bellen naar die [slachtoffer] en/of
- zich op de houden bij/voor de woning van die [slachtoffer] en/of
- zich op te houden in de straat van die [slachtoffer] ;
2
hij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Dordrecht,
opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield,
beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3
hij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Dordrecht,
in de woning (gelegen aan de [straatnaam] ), bij een ander, te weten bij
[slachtoffer] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen.