ECLI:NL:RBROT:2025:15388

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
10/013370-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor poging tot doodslag; veroordeling voor poging tot zware mishandeling en mishandeling met toepassing van jeugdstrafrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 12 januari 2024 in Rotterdam een poging tot doodslag en zware mishandeling ten laste was gelegd. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de poging tot doodslag, omdat deze niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. Wel is de verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en mishandeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, die op het moment van de feiten 18 jaar oud was, met een metalen gesp van een riem meerdere keren op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen en hem met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen. Ook heeft de verdachte het slachtoffer geschopt terwijl deze op de grond lag. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich meebrachten, wat voldoende was voor de bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling. De rechtbank heeft het jeugdstrafrecht toegepast, gezien de leeftijd van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 1 jaar, met bijzondere voorwaarden, en een onvoorwaardelijke taakstraf van 40 uur. De rechtbank heeft rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de positieve ontwikkeling van de verdachte in de jeugdreclassering.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10/013370-24
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2005,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
raadsvrouw mr. P.E. Epping, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 7 oktober 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Loppé heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde (poging tot doodslag);
  • bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) en het onder 2 ten laste gelegde;
  • toepassing van het jeugdstrafrecht ex artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr);
- veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 94 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding van de jeugdreclassering, meewerkt aan ambulante behandeling bij Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering en zich inspant voor het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur;
  • met opdracht aan de jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • oplegging van de maatregel ex artikel 38v Sr, inhoudende een contact- en locatieverbod, waarbij de vervangende hechtenis per overtreding van dat verbod op 2 weken wordt bepaald, met een maximum van 6 maanden;
dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden, het uit te oefenen toezicht en de maatregel ex artikel 38v Sr.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering poging tot doodslag
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder
1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering poging tot zware mishandeling
4.2.1.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ook vrijspraak bepleit voor het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling). Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ten laste gelegde feit. De raadsvrouw meent dat de verdachte vanwege zijn persoonlijkheid niet heeft voorzien welke gevolgen zijn handelen zou kunnen hebben. Evenmin heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn gedragingen tot de dood of zwaar lichamelijk letsel zouden leiden. De verdediging meent voorts dat niet kan worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel.
4.2.2.
Beoordeling
Om tot een bewezenverklaring te komen van een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de aangever met een metalen gesp van zijn riem meerdere keren op het hoofd heeft geslagen en hem meerdere keren met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen. Ook heeft de verdachte, terwijl de aangever op de grond lag, hem twee keer met zijn geschoeide voet tegen het hoofd geschopt. Deze gedragingen roepen naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven dat de aangever als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zal oplopen.
De rechtbank is van oordeel dat de bovengenoemde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt kunnen worden als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte dat gevolg ook willens en wetens heeft aanvaard. Dat de verdachte een taalontwikkelingsstoornis en mogelijk een licht verstandelijke beperking heeft, maakt dit niet anders. Uit de rapporten met betrekking tot de persoonlijkheid van de verdachte of andere stukken in het dossier volgt niet dat de verdachte de gevolgen van zijn handelen in het geheel niet kan overzien, waardoor (voorwaardelijk) opzet zou komen te ontbreken.
De rechtbank wordt gesterkt in haar overtuiging door de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij de riem bij zich had voor het geval hij de aangever tegen zou komen en dat hij van plan was om de aangever daarmee te gaan slaan. De verdachte heeft verder verklaard dat hij de bivakmuts heeft opgedaan om te voorkomen dat hij herkend zou worden.
Het verweer van de verdediging dat niet blijkt dat er zwaar lichamelijk letsel bij een aangever is ingetreden en dat de verdachte daarom moet worden vrijgesproken, wordt door de rechtbank verworpen. Het ten laste gelegde feit betreft een poging tot zware mishandeling, waaruit al volgt dat het zwaar lichamelijk letsel niet daadwerkelijk is ingetreden.
Het handelen van de verdachte kan dus worden aangemerkt als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1 impliciet subsidiair ten gelaste (poging tot zware mishandeling) is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 2
Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.4.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1
hij op
of omstreeks12 januari 2024 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1] opzettelijk
van het leven te beroven en/ofzwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
die [slachtoffer 1]
een ofmeerdere malen
- met
(een metalen gesp van
)een riem
in/tegen het gezicht, althanstegen het hoofd
heeft geslagen,
-
(met zijn vuist
)in
/tegenhet gezicht
, althans tegen het hoofdheeft geslagen, en
/of
-
op/tegen het hoofd heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op
of omstreeks10 januari 2024 te Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die
[slachtoffer 2]een kopstoot te geven.
De rechtbank gaat er vanuit dat de naam in feit twee een kennelijke verschrijving is en leest deze als [slachtoffer 2] .
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
1 (
impliciet subsidiair)
poging tot zware mishandeling
2
mishandeling
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op achttienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan een twee strafbare feiten. Op 10 januari 2024 heeft hij naar aanleiding van een ruzie in een Whatsappgroep het slachtoffer [slachtoffer 2] mishandeld door haar een kopstoot te geven. Vervolgens heeft de verdachte naar aanleiding van dezelfde ruzie op 12 januari 2024 geprobeerd het slachtoffer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een metalen gesp van een riem op zijn hoofd te slaan, hem met zijn vuist te slaan in zijn gezicht en met zijn geschoeide voet te schoppen tegen het hoofd. Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft hierdoor aanzienlijk letsel opgelopen. Dit letsel had gelet op de handelingen van de verdachte nog veel ernstiger kunnen zijn. De ervaring leert dat dergelijk geweld langdurige psychische en emotionele gevolgen kan hebben voor slachtoffers. De verdachte heeft er door zijn gedrag blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun welzijn.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
7.3.2.
Rapportages en de verklaring van de deskundige op de terechtzitting
Reclassering Nederlandheeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
12 augustus 2024. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Uit het onderzoek komt het algemeen recidive risico uit op laag. De criminogene risicofactoren die naar voren komen zijn vooral gelegen in het psychosociaal functioneren van de verdachte. Er zijn aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking. De verdachte laat onvoldoende vaardigheden zien, zowel interpersoonlijke- als coping vaardigheden en hij heeft problemen met zijn emotieregulatie. Daarnaast lijkt de verdachte ook in enige mate beïnvloedbaar te zijn. Als beschermende factoren kunnen worden aangemerkt de ondersteunende gezinsrelaties, de bereidheid van de verdachte om mee te werken aan de begeleiding door de jeugdreclassering, zijn medewerking aan de behandeling door Fivoor en zijn motivatie voor het verkrijgen van een zinvolle dagbesteding.
De reclassering adviseert op basis van het wegingskader adolescentenstrafrecht het jeugdstrafrecht toe te passen en bij een bewezenverklaring een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod, het volgen van een opleiding en het hebben van een dagbesteding.
De gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering)heeft een evaluatierapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 augustus 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
Het risico op recidive wordt als heel laag ingeschat. Er zijn veel beschermende factoren op het gebied van gezin, school, werk en vrije tijd, houding en vaardigheden. Op het gebied van agressie worden nog enige risico's gezien. Hiervoor krijgt de verdachte zowel behandeling als begeleiding van Fivoor. Omdat het risico als heel laag wordt ingeschat, de verdachte goed is ingebed in de hulpverlening en hij zich goed aan zijn bijzondere voorwaarden houdt is de functie van het jeugdreclasseringstoezicht momenteel voornamelijk een vinger aan de pols houden en de voortgang bewaken.
De jeugdreclasseerder [persoon A]heeft ter zitting aanvullend het volgende naar voren gebracht. De verdachte houdt zich goed aan het toezicht van de jeugdreclassering. Indien de verdachte zijn positieve ontwikkeling voortzet, speelt de jeugdreclassering nog een minimale rol. De reclassering heeft geadviseerd om het jeugdreclasseringstoezicht te laten uitvoeren door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JBRR). Indien de rechtbank dat advies overneemt, kan de jeugdreclasseerder zich daarin vinden. De hulpverlening van Fivoor loopt al een jaar. Wat de jeugdreclasseerder betreft, is de proeftijd voor de duur van een jaar voldoende.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
7.4.1.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.
7.4.2.
Redelijke termijn
Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin het jeugdstrafrecht wordt toegepast, te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn is in deze zaak aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 12 januari 2024. In de onderhavige zaak is de redelijke termijn dus met 5 maanden overschreden. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte en er is ook geen sprake van bijzondere omstandigheden. De rechtbank houdt daar rekening mee bij het bepalen van de straf.
7.4.3.
Straf
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat hij na het plegen van de onderhavige feiten, ook geen misdrijven meer heeft gepleegd. Daarnaast heeft de verdachte tijdens zijn schorsing, die ruim anderhalf jaar heeft geduurd, goed meegewerkt met de jeugdreclassering en zich aan de voorwaarden gehouden. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen van een kortere duur dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal de jeugddetentie geheel voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van één jaar en met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De proeftijd wordt vastgesteld op één jaar, omdat de verdachte al bijna 21 maanden reclasseringstoezicht heeft gehad in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis en het naleven van de voorwaarden, zoals hiervoor ook geschetst door de jeugdreclassering in hun rapportage, alsmede ter zitting in die periode goed is verlopen.
De rechtbank ziet gelet op de feiten en omstandigheden zoals die ter zitting naar voren zijn gekomen geen meerwaarde in het opleggen van de maatregel ex artikel 38v Sr en geen noodzaak voor de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht.
Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen van hierna te noemen duur. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte door het verrichten van een werkstraf de directe gevolgen ondervindt van zijn strafbare gedragingen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek
32 (tweeëndertig) urente verrichten werkstraf resteren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 16 (zestien) dagen;
veroordeelt de verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
60 (zestig) dagen;
bepaalt dat deze jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op
1 (één) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Amsterdam te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan de behandeling bij Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering;
- zich gedurende de proeftijd zal inspannen voor het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school en/of werk;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2010;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.M. Derijks, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. J.S. van den Berge en R. van den Wildenberg, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 oktober 2025.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 12 januari 2024 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1] opzettelijk
van het leven te beroven en/of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
die [slachtoffer 1] een of meerdere malen
- met (een metalen gesp van) een riem in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd
heeft geslagen,
- ( met zijn vuist) in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen, en/of
- op/tegen het hoofd heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven.