ECLI:NL:RBROT:2025:15398

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/10/711550 / FA RK 25-9404
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgmachtiging op verzoek van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam een mondelinge uitspraak gedaan over een zorgmachtiging op verzoek van de officier van justitie. Betrokkene, geboren in 1957, heeft een psychische stoornis, te weten schizofrenie, en heeft een zorgmachtiging nodig om ernstig nadeel af te wenden. De officier van justitie heeft op 10 december 2025 een verzoek ingediend voor een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden, omdat de eerdere zorgmachtiging op 13 januari 2026 afloopt. Tijdens de mondelinge behandeling is betrokkene niet verschenen, maar haar advocaat en behandelaars waren aanwezig. Betrokkene heeft aangegeven een andere advocaat te willen, wat de rechtbank in overweging heeft genomen. De rechtbank heeft besloten om de zorgmachtiging te verlengen tot en met 13 januari 2026, met de mogelijkheid om een nieuwe advocaat toe te voegen voor de volgende mondelinge behandeling op 12 januari 2026. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn voor de voorgestelde verplichte zorg, die noodzakelijk is om de geestelijke en fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren. De rechtbank heeft de zorgmachtiging verleend en de maatregelen zoals opgenomen in de beschikking goedgekeurd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/711550 / FA RK 25-9404
Referentienummer: ZM/IND/185935
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 30 december 2025 betreffende een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1957, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.A. van Gemeren te Rotterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 10 december 2025.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de medische verklaring opgesteld door [naam 1] , psychiater, van 5 december 2025;
  • de niet ingevulde zorgkaart;
  • het zorgplan van 24 november 2025;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
  • het historisch overzicht waaruit de eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet BOPZ en Wvggz blijken;
  • het bericht dat er geen relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
Na indiening van het verzoekschrift zijn de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:
  • een handgeschreven addendum van betrokkene, ingediend op 23 december 2025;
  • het bericht van [naam instelling] van 23 december 2025 met een aangepaste bevindingen brief;
  • het proces verbaal van de mondelinge behandeling van 24 december 2025;
  • het bericht van [naam instelling] van 29 december 2025 met het verzoek namens betrokkene om de mondelinge behandeling te verplaatsen, bij voorkeur naar 15 januari 2026, omdat betrokkene een andere advocaat wil.
1.2.
Betrokkene is niet verschenen.
1.3.
De voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden 30 december 2025 in de rechtbank te Rotterdam. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • de hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam 2] , psychiater en [naam 3] , arts, beiden verbonden aan [naam instelling] .
1.4.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2.Beoordeling

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 13 januari 2025 is op grond van artikel 6:4 Wvggz een zorgmachtiging verleend tot en met 13 januari 2026. De officier heeft op 10 december 2025 een verzoek ingediend voor een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden.
2.2.
Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de advocaat verklaard dat zij op alle mogelijke manieren heeft geprobeerd om contact te krijgen met betrokkene om haar te informeren over de mondelinge behandeling maar dat dit niet is gelukt. De behandelaar verklaart betrokkene een dag eerder telefonisch te hebben gesproken. Betrokkene heeft aangegeven niet naar de zitting te komen. Zij wil de zitting verplaatsen naar 15 januari 2026 omdat zij een andere advocaat wil en denkt dat de zorgmachtiging tot 16 januari 2026 geldend is. Zij heeft haar verzoek om een andere advocaat volgens de behandelaar verder niet gemotiveerd. Het gesprek is vrij snel daarna van toon veranderd, wat de behandelaar als onprettig heeft ervaren en vervolgens is de verbinding verbroken. De behandelaar heeft vervolgens nog een sms aan betrokkene gestuurd met zittingsdatum en tijdstip. Volgens de behandelaar heeft betrokkene eerder aangegeven een andere advocaat te willen en de behandelaar heeft met betrokkene besproken hoe zij dit zelf kan doen maar dat is blijkbaar niet gelukt.
2.3.
Gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad is de rechter gehouden te onderzoeken of het mogelijk is om een andere advocaat toe te voegen. Op basis van de wet wordt de beslistermijn voor dat onderzoek niet verlengd. De rechter dient dan ook te beoordelen wat de consequenties van een eventuele overschrijding van de beslistermijn zijn.
2.4.
De rechtbank overweegt dat indien niet uiterlijk op 31 december 2025 wordt beslist, de zorgmachtiging voor betrokkene vervalt. De behandelaar heeft desgevraagd aangegeven dat als betrokkene weet dat de zorgmachtiging is vervallen, zij zal stoppen met het innemen van haar (orale) medicatie. Terwijl het feit dat betrokkene haar medicijnen nu gebruikt, er juist voor zorgt dat de behandelaar een band met betrokkene heeft. Zonder zorgmachtiging zal de behandelaar het contact verliezen met als gevolg dat betrokkene mogelijk weer zal moeten worden opgenomen, misschien zelfs met een crisismaatregel. Het opnieuw instellen van medicatie zal veel stress opleveren voor betrokkene, aldus de behandelaar.
De advocaat van betrokkene heeft aangegeven dat als zij een andere advocaat wil, zij zich daar uiteraard bij zal neerleggen.
De rechtbank ziet zich geconfronteerd met het volgende dilemma. Betrokkene heeft een aanhoudende en te respecteren wens om zich te laten bijstaan door een andere advocaat. Maar als de rechtbank de zaak aanhoudt om een andere advocaat toe te voegen, zonder te beslissen op het verzoek, zal de zorg in de tussentijd niet voortgezet kunnen worden wat volgens de behandelaar nadelige consequenties voor betrokkene zelf heeft. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat een tussenoplossing, waarbij de rechtbank een beslissing neemt tot en met 13 januari 2026, het moment waarop de eerdere zorgmachtiging zou aflopen en het verzoek ten aanzien van de resterende duur aanhoudt tot de mondelinge behandeling op 12 januari 2026, te rechtvaardigen is. Voor betrokkene verandert er dan feitelijk niets terwijl zij wel bijstand van een nieuwe advocaat kan krijgen. De rechtbank zal direct na de beslissing een nieuwe advocaat aan betrokkene toevoegen die haar tijdens de mondelinge behandeling op 12 januari 2026 kan bijstaan.
2.5.
Vorenstaande geldt uiteraard alleen als aan de wettelijke criteria voor verplichte zorg is voldaan. Daarover oordeelt de rechtbank als volgt.
2.6.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie.
2.7.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van haar psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Uit de stukken blijkt dat betrokkene last heeft van haar buren waardoor zij schade leidt. Zij wordt beïnvloed met straling waarvoor ze een tijdje op balkon heeft geslapen en zich trachtte te beschermen met een pan met dikke bodem, maar dat faalde na verloop van tijd. Zij wil solliciteren voor een Russisch bedrijf, om haar AOW in roebels om te zetten en weer terug te wisselen. Ten tijde van behandeling met medicatie blijft het nadeel beperkt tot bijvoorbeeld aangifte doen en problemen hebben met het gebruik van apparatuur. Zonder behandeling neemt overlast toe door bijvoorbeeld verhaal te halen in de Tweede Kamer en burgzaken en zijn behandelcontacten niet meer mogelijk door opwinding en agressie. Uit het zorgplan blijkt dat de zelfzorg te wensen overlaat als betrokkene geen medicijnen gebruikt. Ook het leefgebied van betrokkene is ondermaats omdat betrokkene geen contact durft op te nemen met de huisbaas.
2.8.
Om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat zij haar autonomie zoveel mogelijk herwint en de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van haar psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor, heeft betrokkene zorg nodig.
2.9.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene onvoldoende bereid is om behandeling of zorg op vrijwillige basis te accepteren. De overtuiging dat de medicatie dodelijk is houdt aan en daarmee de wens tot dosis verlaging en staken. Om die reden is verplichte zorg nodig.
2.10.
De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de vormen van verplichte zorg zoals opgenomen in de zorgmachtiging van 13 januari 2025 voldoende en noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
  • het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles;
  • het beperken van de bewegingsvrijheid;
  • het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
  • het opnemen in een accommodatie.
2.11.
De overige door de officier verzochte vorm van verplichte zorg, te weten het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, wordt door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de behandelaar tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig is om het ernstig nadeel af te wenden.
2.12.
Voor de toegewezen vormen van verplichte zorg zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Verder is de voorgestelde verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.13.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal aansluitend op een zorgmachtiging worden verleend tot en met 13 januari 2026 met ingang van vandaag, onder aanhouding van het verzoek voor zover het de resterende verzochte duur betreft.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.10. kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 13 januari 2026 onder aanhouding van de resterende duur zoals verzocht;
en alvorens verder te beslissen:
3.4.
bepaalt dat het verzoek ten aanzien van de resterende duur wordt aangehouden tot
de mondelinge behandeling van 12 januari 2026 om 10.45 uur op de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125waarbij deze beschikking als oproep geldt voor betrokkene, de nieuw toegevoegde advocaat mr. J. Broijl te Rotterdam en de behandelaar;
3.5.
bepaalt dat wanneer betrokkene ook op deze mondelinge behandeling niet
verschijnt, kan worden vastgesteld dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen in welk geval de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van betrokkene zal worden
voortgezet.
Deze beschikking is op 30 december 2025 mondeling gegeven door mr. S.L. Raphael, rechter, in tegenwoordigheid van C. Codrington, griffier, en op 2 januari 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.