3.2.Onderhoudsbijdrage
3.2.1.De rechtbank begrijpt het verzoek van de man aldus, dat de man verzoekt wijziging van voormeld ouderschapsplan van 29 juni 2018 en voormeld convenant van 30 juni 2018 in die zin, dat de in dat ouderschapsplan en convenant overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderbijdrage) met ingang van 23 augustus 2021 wordt bepaald op nihil.
3.2.2.De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.2.3.Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
3.2.4.Partijen zijn het erover eens dat [minderjarige] vanaf 23 augustus 2021 bij de man woonde en dat dit een relevante wijziging van omstandigheden is op grond waarvan de kinderbijdrage moet worden gewijzigd.
3.2.5.De rechtbank zal het verzoek tot nihilstelling van de kinderbijdrage als onweersproken en niet onrechtmatig of ongegrond toewijzen.
3.2.6.Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 22 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1718) betekent het voorgaande dat met de wijziging van de kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige] de afspraken over de kinderalimentatie zoals opgenomen in het ouderschapsplan en het convenant worden gewijzigd en de bepaling over de grote/extra uitgaven voor [minderjarige] komt te vervallen. Vaststelling kinderbijdrage
3.2.7.De man verzoekt – na aanvulling bij bericht van 18 september 2025 – te bepalen:
- dat de vrouw met ingang van 23 augustus 2021 een kinderbijdrage van minimaal € 215,37 per maand aan de man zal voldoen;
- dat primair de door de man te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige] met ingang van 1 september 2025 wordt bepaald op nihil, subsidiair de kinderbijdrage wordt bepaald naar rato van draagkracht van de man, de vrouw en de echtgenoot van de vrouw als stiefouder van [minderjarige] .
3.2.8.De rechtbank begrijpt het aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw van 3 november 2025 aldus, dat de vrouw verzoekt vaststelling van een kinderbijdrage voor [minderjarige] van € 288,- per maand met ingang van 1 september 2025.
3.2.9.Partijen voeren over en weer gemotiveerd verweer.
3.2.10.Op grond van artikel 1:404 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Komt een ouder die verplichting niet of niet behoorlijk na, dan kan de andere ouder op grond van artikel 1:406 BW de rechtbank verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van de minderjarige zal moeten voldoen.
3.2.11.De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport). De rechtbank heeft de hierna berekende bedragen telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
3.2.12.Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.
Partijen zijn het erover eens dat [minderjarige] vanaf 23 augustus 2021 bij de man woonde. Vanaf dat moment is de vrouw alimentatieplichtig ten opzichte van de man. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk om 23 augustus 2021 als ingangsdatum vast te stellen.
3.2.13.Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige] (hierna: de behoefte van [minderjarige] ) in 2018 € 500,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2021 bedraagt de behoefte € 538,- per maand.
3.2.14.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van [minderjarige] tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.2.15.Hiertoe moet eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2021-2.
3.2.16.Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van het NBI van de man moet worden uitgegaan van de inkomsten over het jaar 2021. De vrouw zegt dat moet worden uitgegaan van de winst van € 42.736,- en de man zegt dat moet worden uitgegaan van het verzamelinkomen van € 29.133,-. De man is zelfstandig ondernemer, zodat de rechtbank uitgaat van de winst uit onderneming en niet van het verzamelinkomen dat is vastgesteld door de Belastingdienst op basis van de belastingaangifte. De rechtbank volgt dus de stelling van de vrouw en gaat uit van de winst van € 42.736,-.
3.2.17.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 1 gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2021 aan de hand van een winst van € 42.736,- op € 3.295,- per maand.
De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen: de zelfstandigenaftrek van € 6.670,-. De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 5.049,-.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 1.783,-.
3.2.18.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 339,- per maand, waar de man gelet op zijn inkomen recht op had.
3.2.19.De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.700,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% × [NBI – (0,3×NBI + 1.000)] en bedraagt € 915,- per maand.
3.2.20.De man stelt dat zijn draagkracht moet worden verdeeld over [jongmeerderjarige] en [minderjarige] . De vrouw betwist dit en zegt dat alleen rekening moet worden gehouden met [minderjarige] .
In het ouderschapsplan en het convenant zijn partijen overeengekomen dat de man met ingang van 1 juli 2018 voor [jongmeerderjarige] een bijdrage van € 200,- per maand betaalt en dat partijen de grote/extra uitgaven bij helfte delen. Gelet op deze afspraken acht de rechtbank het redelijk om de draagkracht van de man van € 915,- per maand gelijkelijk te verdelen over [jongmeerderjarige] en [minderjarige] , zodat voor [minderjarige] een draagkracht resteert van € 458,- per maand.
3.2.21.Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van het NBI van de vrouw moet worden uitgegaan van de inkomsten over het jaar 2021. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar inkomen de aanslag IB 2021 overgelegd en een verklaring geregistreerd inkomen 2021 van de Belastingdienst, waaruit blijkt dat het inkomen € 47.656,- was. De vrouw heeft geen jaaropgave over het jaar 2021 en/of aangifte IB 2021 overgelegd. De man zegt dat het inkomen van de vrouw in 2021 hoger had kunnen zijn, maar dat hij dit bij gebrek aan stukken niet kan zien. Omdat de man niet heeft gesteld op welk bedrag hij het inkomen van de vrouw dan schat, kan de rechtbank niet anders dan uitgaan van de wel bekende gegevens van 2021.
De stelling van de man over de verdiencapaciteit van de vrouw is eerst tijdens de mondelinge behandeling ingenomen. Omdat de kinderbijdrage ziet op een periode in het verleden ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van verdiencapaciteit. De vrouw kan immers niet met terugwerkende kracht een hoger inkomen over het verleden verwerven.
3.2.22.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 2 gehechte berekening) het NBI van de vrouw over het jaar 2021 op basis van het inkomen van € 47.656,- op € 3.155,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
3.2.23.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 262,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op had.
3.2.24.De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.700,-, vastgesteld aan de hand van de hiervoor onder 3.2.19. genoemde formule en bedraagt € 846,- per maand.
3.2.25.Geen van partijen heeft een standpunt ingenomen over het aandeel van de vrouw in de kosten van [jongmeerderjarige] . Gelet hierop en onder verwijzing naar wat hiervoor onder 3.2.20. is overwogen, zal de rechtbank de draagkracht van de vrouw van € 846,- per maand ook gelijkelijk verdelen over [jongmeerderjarige] en [minderjarige] , zodat voor [minderjarige] een draagkracht resteert van € 423,- per maand.
3.2.26.Omdat er geen verzoeken voorliggen ten aanzien van [jongmeerderjarige] en de rechtbank de draagkracht van partijen gelijkelijk verdeelt over [jongmeerderjarige] en [minderjarige] , ziet zij geen aanleiding om de behoefte van [jongmeerderjarige] nader te beoordelen.
3.2.27.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [minderjarige] moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 458,- / € 881,- × € 538,- = € 280,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 423,- / € 881,- × € 538,- =
€ 258,-+
samen € 538,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt dus een gedeelte van € 280,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 258,- per maand voor rekening van de vrouw.
3.2.28.Partijen zijn het erover eens dat de vrouw aanspraak heeft op toepassing van een zorgkorting van 35%.
3.2.29.Omdat de behoefte van [minderjarige] € 538,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 188,- per maand.
3.2.30.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [minderjarige] , wordt de eerder berekende bijdrage van de vrouw verminderd met dit bedrag, zodat de vrouw als kinderbijdrage aan de man moet betalen € 70,- per maand.
3.2.31.Gezien het voorgaande is een door de vrouw met ingang van 23 augustus 2021 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 70,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.2.32.Op grond van artikel 1:402a lid 2 BW wordt een bij beschikking vastgestelde onderhoudsbijdrage geïndexeerd per 1 januari volgend op de datum van de beschikking.
3.2.33.Gelet op wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling begrijpt de rechtbank dat de man verzoekt de kinderbijdrage met terugwerkende kracht te indexeren. De vrouw verzet zich daartegen.
Gelet op de tussen partijen gemaakte afspraak over de indexering van de door de man te betalen bijdrage in het ouderschapsplan en het convenant en de hoogte van de door de vrouw te betalen kinderbijdrage, valt niet in te zien waarom de kinderbijdrage niet met terugwerkende kracht hoeft te worden geïndexeerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2022 ieder jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.
Periode vanaf 1 september 2025
3.2.34.Partijen zijn het erover eens dat [minderjarige] vanaf 1 september 2025 weer bij de vrouw woont en dat met deze wijziging rekening moet worden gehouden, in die zin dat de kinderbijdrage vanaf 1 september 2025 opnieuw moet worden beoordeeld.
3.2.35.Omdat partijen het erover eens zijn dat er een wijziging is vanaf 1 september 2025 die gevolgen heeft voor de kinderbijdrage vanaf 1 september 2025, zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum vaststellen.
3.2.36.De eerder overeengekomen behoefte van [minderjarige] van € 500,- per maand wordt geïndexeerd naar 2025 en is € 642,- per maand.
3.2.37.De man stelt dat [minderjarige] op dit moment in zijn eigen behoefte kan voorzien, want hij heeft vanaf 1 september 2025 eigen inkomsten. De vrouw betwist dit.
De rechtbank is van oordeel dat het inkomen van [minderjarige] niet van invloed is op de behoeftigheid van [minderjarige] omdat hij nog minderjarige is. De onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van [minderjarige] blijft dus bestaan. De rechtbank gaat dus uit van de behoefte van [minderjarige] van € 642,- per maand.
3.2.38.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van [minderjarige] tussen de verschillende onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld.
3.2.39.Vast staat dat de vrouw op 9 december 2024 is gehuwd, dat haar echtgenoot twee minderjarige kinderen heeft uit een eerder huwelijk en dat het hoofdverblijf van deze kinderen bij de echtgenoot van de vrouw is. De man stelt dat de echtgenoot van de vrouw als stiefouder ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige] . De vrouw stelt zich op het standpunt dat de onderhoudsplicht van haar echtgenoot voor [minderjarige] en haar onderhoudsplicht als stiefouder voor zijn twee minderjarige kinderen buiten beschouwing moet worden gelaten.
3.2.40.Op grond van artikel 1:392 BW zijn tot het verstrekken van levensonderhoud op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden de ouders, de kinderen, behuwdkinderen, schoonouders en stiefouders. Op grond van artikel 1:395 BW is een stiefouder verplicht gedurende zijn huwelijk of zijn geregistreerd partnerschap levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende minderjarige kinderen van zijn echtgenoot of geregistreerde partner.
3.2.41.Niet betwist is dat de echtgenoot van de vrouw met zijn kinderen na oktober 2025 uit de woning is vertrokken en ergens anders woont. Daarmee behoort [minderjarige] niet meer tot het gezin van de vrouw en haar echtgenoot en behoren de kinderen van de echtgenoot van de vrouw niet meer tot het gezin van de vrouw. Omdat de kinderbijdrage wordt berekend voor de toekomst en de periode dat de vrouw en [minderjarige] met de echtgenoot van de vrouw en zijn kinderen één gezin vormden heel kort is geweest, te weten twee maanden vanaf 1 september 2025, geeft dat voor de rechtbank aanleiding de echtgenoot van de vrouw en zijn kinderen buiten beschouwing te laten. De rechtbank zal dus de behoefte van [minderjarige] enkel tussen partijen verdelen naar rato van hun beider draagkracht.
3.2.42.Eerst wordt het huidige NBI van partijen vastgesteld. Er wordt gerekend met de tarieven 2025-2.
3.2.43.Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van het huidige NBI van de man moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst over de jaren 2023 en 2024 en het resultaat volgens de prognose 2025. De man heeft de jaarrekeningen 2023 en 2024, de aangiften IB 2023 en 2024 en een prognose 2025-2026 overgelegd. Hieruit blijkt dat de winst in 2023 € 127.006,- was, in 2024 € 152.145,- was en dat het resultaat volgens de prognose 2025 € 149.580,- is. Het gemiddelde van deze bedragen is € 142.910,-.
3.2.44.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 3 gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2025 aan de hand van een gemiddelde winst van € 142.910,- op € 7.139,- per maand.
De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen: de zelfstandigenaftrek van € 2.470,-. De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 17.836,-.
Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 3.990,-.
3.2.45.De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% × [NBI – (0,3×NBI + 1.310)] en bedraagt € 2.581,- per maand.
3.2.46.Onder verwijzing naar wat hiervoor onder 3.2.20. is overwogen, wordt de draagkracht van de man van € 2.581,- per maand verdeeld over [jongmeerderjarige] en [minderjarige] , zodat voor [minderjarige] een draagkracht resteert van € 1.291,- per maand.
3.2.47.De vrouw stelt dat voor de berekening van haar huidige NBI moet worden uitgegaan van de salarisspecificaties van de maanden juni tot en met augustus 2025. De man betwist dit en stelt dat moet worden uitgegaan van de verdiencapaciteit van € 73.004,-, gelijk aan het inkomen dat is vermeld in de verklaring geregistreerd inkomen 2023 van de Belastingdienst. De vrouw werkt 80% vanaf 14 april 2025. De vrouw heeft toegelicht dat zij in het onderwijs werkt en dat zij afhankelijk is van wat wordt aangeboden qua uren. De man heeft dit niet weersproken. Gelet op de toelichting van de vrouw gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw nu niet meer verdiencapaciteit heeft dan blijkt uit de salarisspecificaties van 2025.
3.2.48.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 4 gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2025 op € 4.154,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 4.874,39 (inclusief vergoeding Zkv en functietoelage);
- vakantiegeld 8% op jaarbasis;
- premie AOP € 8,94;
- pensioen/NP € 355,-.
Rekening is gehouden met de opbouw van de eindejaarsuitkering van € 402,15 per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
3.2.49.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 361,25 per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.2.50.De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de hiervoor onder 3.2.45. genoemde formule en bedraagt € 1.119,- per maand.
3.2.51.Onder verwijzing naar wat hiervoor onder 3.2.25. is overwogen, wordt de draagkracht van de vrouw van € 1.119,- verdeeld over [jongmeerderjarige] en [minderjarige] , zodat voor [minderjarige] een draagkracht resteert van € 560,- per maand.
3.2.52.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [minderjarige] moet de behoefte over partijen worden verdeeld als volgt:
het deel van de man bedraagt: € 1.291,- / € 1.851,- × € 642,- = € 448,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 560,- / € 1.851,- × € 642, =
€ 194,-+
samen € 642,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt dus een gedeelte van € 448,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 194,- per maand voor rekening van de vrouw.
3.2.53.Partijen zijn het erover eens dat de man aanspraak heeft op toepassing van een zorgkorting van 25%.
3.2.54.Omdat de behoefte van [minderjarige] € 642,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 160,- per maand.
3.2.55.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [minderjarige] wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 288,- per maand.
3.2.56.Gezien het voorgaande is een door de man met ingang van 1 september 2025 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 288,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.2.57.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.