ECLI:NL:RBROT:2025:15414

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
10-134390-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van cocaïne en een vuurwapen, en witwassen van geld en goederen

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 29 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het voorhanden hebben van twintig kilo cocaïne en een vuurwapen met bijbehorende munitie. De verdachte was ook betrokken bij voorbereidingshandelingen voor het bewerken en verwerken van cocaïne en het witwassen van een auto, motor en een geldbedrag van € 61.000,-. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 7 mei 2025 in Rotterdam opzettelijk ongeveer 20 kilogram cocaïne voorhanden heeft gehad, en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door het geldbedrag en de voertuigen aan te schaffen met criminele inkomsten. De officier van justitie had een gevangenisstraf van vijf jaar geëist, maar de rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 33 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van een deel van de tenlastelegging, omdat de betrokkenheid bij de verdovende middelen niet voldoende was bewezen. De rechtbank heeft ook de in beslag genomen voorwerpen, waaronder het geldbedrag van € 61.000,-, de auto en motor, verbeurd verklaard. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, bestaande uit drie rechters, en is openbaar uitgesproken op de zitting.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-134390-25
Datum uitspraak: 29 december 2025
Datum zitting: 15 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. K.C. van de Wijngaart
Officier van justitie: mr. N. Daalder

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is bij partijen drugs, zich, onder meer, heeft beziggehouden met voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne, een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad en een motor, auto en geldbedragen heeft witgewassen. De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:
1.
hij op of omstreeks 27 maart 2025 te Capelle aan den IJssel en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2 kilogram cocaïne in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2.
hij op of omstreeks 7 mei 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 20 kilogram cocaïne in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of onbekende hoeveelheden heroïne/cocaïne/amfetamine, zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3.
hij, op of omstreeks 7 mei 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die
bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten: in een woning aan de [adres] te Rotterdam, het voorhanden hebben en/of gebruiken en/of opslaan van:
  • versnijdingsmiddelen en/of
  • verpakkingsmaterialen en/of
  • weegschalen.
4.
hij op of omstreeks 7 mei 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, een wapen(s) en/ of (bijbehorende) munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
  • een pistool, van een onbekend merk, zijnde een of meer vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/o
  • (bijpassende) munitie, te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9 X 19 mm, voorhanden heeft gehad;
5.
hij op of omstreeks 7 mei 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten (onder meer)
  • een of meer geldbedrag(en), te weten 61.100 en/of 486,90 euro, althans enig geldbedrag en/of
  • een motor en/of
  • een auto,
voorhanden heeft gehad en/of de vindplaats heeft verborgen en/of verhuld
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf of uit enig eigen misdrijf.

2.Bewijs

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en voor feit 5 ten aanzien van de auto, motor en het geldbedrag van € 486,90. De verdediging heeft zich verder gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De beschuldiging onder feit 1 is niet bewezen omdat de betrokkenheid van de verdachte bij de verdovende middelen in onvoldoende mate is vast komen te staan. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
2.
op 7 mei 2025 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 20 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3.
op 7 mei 2025 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken van cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten: in een woning aan de [adres] te Rotterdam, het voorhanden hebben en/of opslaan van:
  • versnijdingsmiddelen en
  • verpakkingsmaterialen en
  • weegschalen.
4.
hij op 7 mei 2025 te Rotterdam, een wapenen bijbehorende munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van een onbekend merk, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en bijpassende munitie, te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9 X 19 mm, voorhanden heeft gehad.
5.
hij op 7 mei 2025 te Rotterdam voorwerpen, te weten
  • een geldbedrag
  • een motor en
  • een auto,
voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat
dezevoorwerp
en- onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig
warenuit enig misdrijf.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt bij de bewezenverklaring van feit 5 het volgende voorop. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Op de zitting is door de verdediging - en naar het oordeel van de rechtbank terecht - niet betwist dat sprake is van een witwasvermoeden. Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit volgt dat deze voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn. De verdediging heeft aangevoerd dat de auto en motor zijn aangeschaft met het legale inkomen van de verdachte. Ter onderbouwing heeft de verdediging bankrekeningafschriften van de verdachte overgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft de verklaring van de verdachte niet verder onderzocht.
Gelet op de verklaring van de verdachte en de overgelegde bankrekeningafschriften vindt de rechtbank aannemelijk dat de auto en motor voor een (zeer beperkt) deel kunnen zijn aangeschaft met het legale inkomen van de verdachte. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat vermenging tussen de legale inkomsten en inkomsten afkomstig uit enig misdrijf heeft plaatsgehad. De vermogensbestanddelen met een criminele herkomst laten zich daardoor niet meer individualiseren. Kortom, de verklaring die de verdachte heeft gegeven kan geen tegenwicht bieden tegen het witwasvermoeden. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de auto en motor onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
2.
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
3.
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
4.
de eendaadse samenloop van:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een (vuur)wapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
5.
witwassen
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het voorlichtingsrapportage van Forensisch Maatwerk van 9 juli 2025.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft twintig kilo cocaïne en een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Ook heeft hij voorbereidingshandelingen getroffen tot het bewerken en verwerken van cocaïne. Dit zijn ernstige strafbare feiten. Vooral de combinatie van het aanwezig hebben van een partij drugs en een vuurwapen is ernstig. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug die schadelijk is voor de volksgezondheid. Met de handel in cocaïne wordt veel geld verdiend en de gehele keten hieromheen - van land van herkomst waar de cocaïne wordt geproduceerd tot en met de gebruiker - gaat gepaard met vele vormen van (ernstige) criminaliteit. Het ongecontroleerde bezit van wapens vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en brengt gevoelens van onveiligheid teweeg. Mede gelet op de toename van het vuurwapenbezit in de maatschappij en het hoge gevaarzettende karakter daarvan dient daarom streng te worden opgetreden.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen door een geldbedrag van €61.000,- voorhanden te hebben, terwijl hij wist dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Ook heeft hij een auto en motor witgewassen door deze voertuigen met gelden met een (deels) criminele herkomst te kopen. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de integriteit van het financiële en economische systeem. Witwassen bevordert het plegen van delicten, omdat door het wegsluizen van crimineel geld of het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden de opsporing van de onderliggende misdrijven wordt bemoeilijkt en zonder witwassen het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. De vermenging van illegale- en legale geldstromen brengt ernstige schade toe aan de maatschappij en ondermijnt de openbare orde.
De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
-
Strafblad
Uit het strafblad van 11 november 2025 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
-
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 28 november 2025 staat onder meer het volgende. De reclassering kan geen delict gerelateerde risicofactoren vaststellen of een goede risico inschatting doen gelet op de ontkennende houding van de verdachte. De reclassering vermoed dat sprake is van een pro criminele houding gelet op het strafblad van de verdachte. Ook ziet de reclassering risico’s in de leefstijl van de verdachte omdat deze niet in verhouding staat met het minimuminkomen dat hij heeft. Volgens de reclassering zijn er aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking, maar de verdachte heeft eerder niet mee willen werken aan diagnostiek. De verdachte heeft aangegeven open te staan voor behandeling. De reclassering schat de risico op het onttrekken aan voorwaarden gemiddeld-hoog in omdat de verdachte in eerdere toezichten heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of reclasseringstoezicht de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Vanwege zijn detentie is hij bijna alles kwijtgeraakt. De verdachte ontvangt al vijftien jaar Wajong-uitkering en zorgtoeslag. Hij heeft hoge schulden. Na zijn detentie is de verdachte van plan om bij zijn moeder te gaan wonen en te beginnen met werken.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De officier van justitie is bij de gevorderde straf uitgegaan van een bewezenverklaring van alle feiten. Omdat de verdachte hiervan gedeeltelijk wordt vrijgesproken, komt de rechtbank tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd. Ten aanzien van het witwassen weegt de rechtbank (in strafverlagende zin) ook mee dat de auto en motor door vermenging hierna verbeurd zullen worden verklaard. Verder houdt de rechtbank rekening met de houding van de verdachte op de zitting. Hij heeft spijt betuigd maar neemt geen volledige verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Daarom wordt een gevangenisstraf opgelegd van 33 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Anders dan de verdediging en gelet op het reclasseringsadvies, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijke straf op te leggen.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.In beslag genomen voorwerpen

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen geldbedragen, motor en auto worden verbeurd verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om teruggave van het geldbedrag van € 486,90, de auto en motor aan de verdachte, gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf worden de volgende in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte. Deze voorwerpen zijn ook vatbaar voor verbeurdverklaring.
-
Geldbedrag van € 61.000 (nummer 1)
Het onder 5 bewezen feit is met betrekking tot het geldbedrag gepleegd. Er kan niet worden vastgesteld aan wie het geldbedrag toebehoort.
-
De auto en motorfiets met bijbehorende navigatie en sleutels (nummers 5 tot en met 8)
Het onder 5 bewezen feit is met betrekking tot deze voorwerpen begaan en behoren aan de verdachte toe.
Onttrekking aan het verkeer
-
De verdovende middelen (nummers 10 tot en met 14)
De rechtbank beslist dat de in beslag genomen verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het onder 2 strafbare feit is met betrekking tot voornoemde voorwerpen begaan. Deze voorwerpen zijn tijdens het onderzoek naar de feiten aangetroffen bij de verdachte.
-
Het vuurwapen met bijbehorende munitie (nummers 17 en 18)
De rechtbank beslist dat het in beslag genomen vuurwapen met bijbehorende munitie (nummers 17 en 18) wordt onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het onder 4 strafbare feit is met betrekking tot voornoemde voorwerpen begaan. Deze voorwerpen zijn tijdens het onderzoek naar de feiten aangetroffen bij de verdachte.
Bewaring
De rechtbank beslist tot de bewaring van het in beslag genomen geldbedrag van € 50,- (nummer 1) ten behoeve van de rechthebbende.
Teruggave
De rechtbank beslist tot de teruggave van de in beslag genomen geldbedragen van € 605,- (nummer 2), € 11,90 (nummer 3) en € 486,90 (nummer 4) aan de verdachte.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen:
  • 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
  • 2, 10 en 10a van de Opiumwet;
  • 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 33 (drieëndertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
In beslag genomen voorwerpen
  • verklaart verbeurd voor feit 5 het geldbedrag van € 61.000,- (nummer 1), de auto, motorfiets met bijbehorende navigatie en sleutels (nummers 5 tot en met 8);
  • verklaart voor feit 2 onttrokken aan het verkeer de verdovende middelen (nummers 10 tot en met 14) en voor feit 4 het vuurwapen met bijbehorende munitie (nummers 17 en 18);
  • beveelt de bewaring van het geldbedrag van € 50,- (nummer 1) ten behoeve van de rechthebbende;
  • beveelt de teruggave van de geldbedragen van € 605,- (nummer 2), € 11,90 (nummer 3) en € 486,90 (nummer 4) aan de verdachte.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. P.C. Tuinenburg en M. Hulshof, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 december 2025.
Mrs. Janssen en Tuinenburg zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.