ECLI:NL:RBROT:2025:15416

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
10-191007-25 / TUL 10-195431-23 en 10-169203-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreigingen en belediging met bijzondere voorwaarden

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 29 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van twee bedreigingen en een belediging. De feiten vonden plaats op 23 juni 2025 te Rotterdam, waar de verdachte de slachtoffers bedreigde met de dood en beledigde door te spugen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de feiten heeft bekend en dat er geen vrijspraak is bepleit. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden, met aftrek van voorarrest, en heeft bijzondere voorwaarden verbonden aan de straf. De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van de verdachte, dat eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten bevatte, en met de psychische toestand van de verdachte, die lijdt aan schizofrenie en middelenmisbruik. De rechtbank heeft geoordeeld dat de feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend, en heeft besloten geen tbs-maatregel op te leggen, omdat dit niet proportioneel zou zijn. De rechtbank heeft ook een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf afgewezen, maar de proeftijd van die straf verlengd met twee jaar. De verdachte heeft spijt betuigd en is bereid om mee te werken aan de opgelegde voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-191007-25
Parketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-195431-23 en 10-169203-23
Datum uitspraak: 29 december 2025
Datum zitting: 15 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats]
Advocaat van de verdachte: mr. P.E. van Zon
Officier van justitie: mr. M. Kruit

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte - samengevat - van twee bedreigingen en een belediging. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 23 juni 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door
  • die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen ‘ik ga je vermoorden’, en/of
  • die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen ‘ik heb naalden, ik ga je vermoorden’ en/of (daarbij) met zijn hand een stekende beweging te maken, althans woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking.
2.
hij op of omstreeks 23 juni 2025 te Rotterdam, opzettelijk [slachtoffer 1] in haar tegenwoordigheid door feitelijkheden heeft beledigd, door op/richting die [slachtoffer 1] te spugen.

2.Bewijs

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
1.
op 23 juni 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door
  • die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen ‘ik ga je vermoorden’, en
  • die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen ‘ik heb naalden, ik ga je vermoorden’ en met zijn hand een stekende beweging te maken.
2.
op 23 juni 2025 te Rotterdam, opzettelijk [slachtoffer 1] in haar tegenwoordigheid door feitelijkheden heeft beledigd, door op/richting die [slachtoffer 1] te spugen.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] .
1.
Verklaring van de verdachte [2]
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1] [3]
3.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2] [4]

3.Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2.
eenvoudige belediging.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor 6 maanden met aftrek en de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsadvies van 31 oktober 2025, en wel ongemaximeerd in duur. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel en de daaraan verbonden voorwaarden gevorderd. Daarnaast vordert de officier de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om geen tbs-maatregel op te leggen gelet op het Pro Justitia rapport.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zonder enige aanleiding twee voor hem onbekende personen bedreigd. Hij is achter het slachtoffer [slachtoffer 1] aangelopen en heeft geroepen dat hij haar zal vermoorden. Toen een omstander, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] wilde helpen, heeft de verdachte zich ook tegenover [slachtoffer 2] bedreigend uitgelaten. De verdachte heeft geroepen dat hij naalden heeft en het slachtoffer [slachtoffer 2] zal vermoorden. Daarbij maakte hij op zeer korte afstand een stekende beweging met zijn hand richting [slachtoffer 2] . Dit zijn ernstige feiten. De verdachte heeft hiermee een angstige situatie gecreëerd voor de slachtoffers en hun gevoelens van veiligheid aangetast. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat zij heel bang zijn geweest voor de verdachte.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging door te spugen op het slachtoffer [slachtoffer 1] . De verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Bespuugd worden is buitengewoon respectloos en bovendien ontzettend vies.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
-
Strafblad
Uit het strafblad van 11 november 2025 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
-
Rapporten van deskundigen en de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapport van 10 oktober 2025 opgesteld door psychiater dr. [naam psychiater] en psycholoog drs. [naam psycholoog] . Op basis van hun onderzoek concluderen beide rapporteurs dat bij de verdachte sprake is van schizofrenie, een (matige) stoornis in het gebruik van cannabis en een (ernstige) stoornis in het gebruik van cocaïne.
Volgens psycholoog [naam psycholoog] bestonden deze stoornissen tijdens de bewezen feiten en hebben deze gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte beïnvloed. De verdachte heeft in mindere mate de consequenties van zijn gedrag kunnen overzien. Ook heeft hij niet ingezien dat het gebruik van middelen zijn innerlijke remmingen kan verminderen en hij eerder tot impulsief gedrag kan komen. Volgens psychiater [naam psychiater] is het moeilijk aan te tonen dat bij de verdachte tijdens de bewezen feiten nog psychotische verschijnselen aanwezig waren omdat dit door de verdachte en zijn behandelaren wordt ontkend. Het drugsgebruik is in ieder geval van invloed geweest op het delictgedrag van de verdachte. Er wordt door beide rapporteurs geadviseerd om de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico voor
soortgelijkefeiten wordt ingeschat als hoog. Bij een veroordeling wordt door beide rapporteurs geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: klinische- en poliklinische behandeling (waaronder medicatiegebruik) binnen kliniek met verhoogd beveiligingsniveau, toezicht door de Reclassering en deelname aan het resocialisatietraject. De rapporteurs vinden het van belang dat de verdachte langere tijd klinisch wordt behandeld binnen een gestructureerde omgeving om abstinentie en resocialisatie te kunnen realiseren. Volgens psychiater [naam psychiater] kan eventueel een GVM daarnaast ervoor zorgen dat het toezicht en de behandeling door kan gaan als er toch tot tenuitvoerlegging van de straf wordt overgegaan.
Psychiater [naam psychiater] heeft op 5 december 2025 aanvullend gerapporteerd naar aanleiding van vragen van de officier van justitie. Hij geeft aan dat de door de verdachte geuite motivatie wordt ondersteund door zijn gedrag tijdens de detentie. De verdachte gebruikt de voorgeschreven medicatie en gaat naar de bijeenkomsten van de Narcotics Anonymous. Om de motivatie van de verdachte meer vorm te geven adviseert [naam psychiater] om de behandeling op een verhoogd beveiligingsniveau te laten beginnen en in een forensisch kader vorm te geven. Het verschil met eerdere gedragsinterventies is het hogere beveiligingsniveau, waardoor het moeilijker is om drugs te gebruiken en terug te vallen. Psychiater [naam psychiater] pleit ervoor dat eerst nog niet geprobeerde minder vergaande interventies (voorwaardelijk strafdeel) worden opgelegd voordat voor verdergaande interventies (de TBS maatregel) wordt gekozen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringadvies van GGZ Breda van 31 oktober 2025. De reclassering schat het risico op recidive hoog in. Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering ziet delictgedrag ten aanzien van middelengebruik. De verdachte staat sinds 2023 onder verschillende reclasseringstoezichten. Hoewel de verdachte zijn motivatie uitspreekt voor reclasserings- en hulpverleningsbemoeienis, heeft dit eerder niet geleid tot het gewenste resultaat omdat de verdachte niet in staat was zijn afspraken met de reclassering en hulpverlening na te komen. De reclassering adviseert daarom positief over tbs met de volgende voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, meewerken aan reclasseringstoezicht en time-out, niet reizen naar het buitenland, niet op een ander adres vestigen, opname in een FPK-zorginstelling, begeleid wonen of maatschappelijk opvang, dagbesteding, alcohol- en drugsverbod en meewerken aan middelencontrole. De reclassering adviseert dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden. Bij een oplegging van de maatregel adviseert de reclassering om daarnaast over te gaan tot oplegging van een GVM.
De reclassering heeft op 5 december 2025 aanvullend gerapporteerd naar aanleiding van vragen van de officier van justitie. Daaruit volgt dat de verdachte op een wachtlijst staat voor de FPK Fivoor. De verwachting is dat er in januari 2026 plek is voor de verdachte.
- Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op de zitting spijt betuigd voor zijn handelen. Hij heeft verklaard dat hij bereid is zijn medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht en de geadviseerde bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf gepast. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook weegt de rechtbank mee dat de strafbare feiten in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Verder houdt de rechtbank rekening met de houding van de verdachte op de zitting. Daarom wordt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen
De rechtbank stelt op basis van het Pro Justitia- en reclasseringsrapport vast dat het recidivegevaar weliswaar hoog wordt ingeschat, maar dat dit gevaar slechts ziet op de bewezen feiten. Er zijn weinig aanwijzingen voor een hoog risico op geweldsdelicten. Gelet op de aard en relatief geringe ernst van de feiten in verhouding tot de zwaarte van de gevorderde maatregel vindt de rechtbank een tbs-maatregel daarom niet proportioneel.
De rechtbank zal dan ook geen tbs-maatregel opleggen.
Het is de rechtbank ook niet gebleken dat oplegging van een GVM – zoals gevorderd door de officier van justitie – noodzakelijk is. Deze maatregel zal niet worden opgelegd.

4.Vordering tot tenuitvoerlegging

Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 12 dagen omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering.
Oordeel van de rechtbank
De bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Toch zal de rechtbank de vordering afwijzen maar de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf verlengen met twee jaar. Daarbij wijzigt de rechtbank de voorwaarden bij de voorwaardelijke straf zodanig dat deze gelijkluidend worden aan de voorwaarden die bij dit vonnis aan de verdachte worden opgelegd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 266 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals hiervoor is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
de 7 (zeven) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
de verdachte zich gedurende de proeftijd laat opnemen in en behandelen door FPK Fivoor of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
de verdachte laat zich opnemen voor een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum, of een soortgelijke instelling als de reclassering dat noodzakelijk acht en de verdachte daarmee instemt. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen (genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) in de Opiumwet) en alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en/of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding met een vaste structuur, zolang de reclassering dat nodig vindt;
de verdachte gedurende de proeftijd het huidige adres [adres] , [postcode] [woonplaats] , zal houden als verblijfadres, tenzij de reclassering toestemming geeft voor een ander woon- of verblijfadres;
de verdachte gedurende de proeftijd Nederland niet verlaat of reist naar het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, tenzij de reclassering toestemming geeft;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummers 10-195431-23 en 10-169203-23)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 5 oktober 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 5 oktober 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 2 jaar;
wijzigt de daarbij gestelde bijzondere voorwaarden, zodanig dat deze gelijkluidend worden aan de voorwaarden die bij dit vonnis aan de verdachte zijn opgelegd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. P.C. Tuinenburg en M. Hulshof, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 december 2025.
Mrs. Janssen, Tuinenburg en Karakus zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.
2.Verklaard tijdens de zitting van 15 december 2025.
3.Pagina 7 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] .
4.Pagina 10 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] .