ECLI:NL:RBROT:2025:15418

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1155
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing wettelijke schuldsaneringsregeling met eerdere ingangsdatum

In deze zaak heeft de heer [verzoeker] een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) en om een eerdere ingangsdatum van deze regeling te bepalen. De rechtbank Rotterdam heeft op 21 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak. De heer [verzoeker] verkeert in een problematische schuldensituatie en heeft om deze reden de Wsnp aangevraagd. De rechtbank heeft vastgesteld dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de Wsnp, waaronder de eis dat hij te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van zijn schulden. De rechtbank heeft ook de ingangsdatum van de Wsnp vastgesteld op 21 oktober 2024, omdat de heer [verzoeker] vanaf deze datum arbeidsongeschikt was en aan zijn verplichtingen heeft voldaan. De rechtbank benoemt tevens een bewindvoerder en een rechter-commissaris om toezicht te houden op de uitvoering van de Wsnp. De looptijd van de regeling is vastgesteld op 18 maanden, met een einddatum op 21 april 2026. De rechtbank heeft de heer [verzoeker] ook verplicht om mee te werken aan de afwikkeling van zijn schulden en om informatie aan de bewindvoerder te verstrekken. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
21 november 2025
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt de heer [verzoeker] om een eerdere ingangsdatum van de Wsnp te bepalen. Dit verzoek wordt ook toegewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 7 november 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- mevrouw [persoon A] , echtgenote van de heer [verzoeker] ,
- de heer [persoon B] , zoon van de heer [verzoeker] ,
- mevrouw [persoon C] , schuldhulpverlener,
- de heer A.E. Turgut, beschermingsbewindvoerder.
1.3.
De beschermingsbewindvoerder van de heer [verzoeker] heeft op verzoek van de rechtbank op 12 november 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.

2.De beoordeling

De toelating
2.1.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
De heer [verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.3.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.4.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.5.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.6.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.7.
De rechtbank stelt vast dat de heer [verzoeker] gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject geen afloscapaciteit had op basis van de vtlb-berekeningen. Wel is gebleken dat gedurende meerdere maanden beslag heeft gelegen op zijn inkomsten, waardoor een deel van zijn inkomen automatisch aan de beslagleggende schuldeiser is afgedragen. De rechtbank concludeert dan ook dat de heer [verzoeker] gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject heeft voldaan aan zijn afdrachtplicht.
2.8.
Ten aanzien van de inspanningsverplichting overweegt de rechtbank als volgt. De heer [verzoeker] is door Stroomopwaarts bij beslissing van 14 oktober 2025 formeel ontheven van de arbeidsverplichting wegens zijn medische situatie, voor de periode tot 19 augustus 2028. Uit het dossier blijkt verder dat de heer [verzoeker] reeds op
27 september 2024 zorg heeft aangevraagd op grond van de Wet langdurige zorg. Deze aanvraag is op 25 oktober 2024 toegewezen, voor onbepaalde tijd, in de vorm van beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging, met een omvang van 24-uurszorg. De rechtbank acht hiermee voldoende aannemelijk dat de heer [verzoeker] in ieder geval sinds het besluit van 25 oktober 2024, vanwege zijn medische situatie, arbeidsongeschikt is en daarom, voor zover dit gezien zijn medische beperkingen mogelijk was, heeft voldaan aan de inspanningsplicht.
2.9.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 21 oktober 2024, zijnde de maand waarop de arbeidsongeschiktheid van de heer [verzoeker] vast is komen te staan.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de looptijd (ex artikel 349a Fw) van de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
3.4.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
3.5.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). De heer [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.6.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.7.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .
3.8.
De looptijd van de regeling van de heer [verzoeker] is veel eerder ingegaan dan de datum van dit vonnis. De bewindvoerder kan nu pas starten met zijn taken, terwijl de looptijd van de regeling (vooralsnog) verstrijkt op 21 april 2026. De boedel wordt per die datum gefixeerd. Van belang is dat de heer [verzoeker] ook na die datum verplicht blijft om mee te werken aan de afwikkeling. Hij is ook verplicht om daarvoor informatie aan de bewindvoerder aan te leveren. Tot de boedel behorende goederen moeten nog worden afgedragen. Na de materiële looptijd geldt er geen inspanningsverplichting (artikel 288 Fw) en ook geen verplichting om inkomsten boven het vtlb af te dragen (artikel 295 Fw).
3.9.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (het formele einde).

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. J.T.P. Pot
en tot bewindvoerder mr. N.N. van Klaveren,
gevestigd te Postbus 136,
2990 AC Barendrecht;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 21 oktober 2024 en de duur op 18 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
  • bepaalt dat er na de einddatum van de looptijd een medewerkingsplicht en een informatieplicht geldt tot het verbindend worden van de slotuitdelingslijst;
- draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- draagt de bewindvoerder op om – in afwijking van artikel 351a Fw – uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. J.T.P. Pot, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025. [1]