ECLI:NL:RBROT:2025:15424

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
10/229874-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bedreiging met een mes en vernieling in politiecellen door verdachte

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zijn broer en ernstig zieke moeder meerdere keren heeft bedreigd met een mes. De bedreigingen vonden plaats in de periode van 24 augustus tot en met 29 augustus 2025 in Dordrecht. De verdachte heeft ook een politiecel onbruikbaar gemaakt en schade toegebracht aan de verhoorkamer. De officier van justitie beschuldigde de verdachte van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en brandstichting. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreigingen en de vernielingen, maar sprak hem vrij van een poging tot zwaar lichamelijk letsel aan politieagenten. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 150 dagen, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 1 jaar, met contact- en locatieverboden. De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van een van de feiten wegens het ontbreken van een klacht van het slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/229874-25
Datum uitspraak: 24 december 2025
Datum zitting: 24 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1984 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
ingeschreven op het adres [detentieadres] , [postcode] [detentieplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. J. Leyten
Officier van justitie: mr. N. van der Meij
Benadeelde partijen: De Politie, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte er - samengevat - van dat hij zijn moeder en zijn broer heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting en dat hij daarbij een mes heeft getoond. Daarnaast beschuldigt de officier van justitie de verdachte ervan dat hij een politiecel onbruikbaar heeft gemaakt, het raam van een verhoorkamer heeft vernield en een tafel in de verhoorkamer heeft beschadigd. Daarmee zou hij bovendien hebben geprobeerd om twee politieagenten die zich achter de glazen wand van de verhoorkamer bevonden, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, althans zou hij hen hebben bedreigd.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:
1. hij, op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 augustus 2025 tot en met 29 augustus 2025 te Dordrecht, [slachtoffer 1] heeft bedreigd (telkens)met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- "geef geld, anders ga ik je wat aan doen",
- "ik ga je vermoorden’
- "ik ga je woning in brand steken",
althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (daarbij) (telkens) een mes, althans een scherp/puntig voorwerp te tonen;
2. hij, op of omstreeks 10 september 2025 te Dordrecht, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:
-"Ik ga jullie vermoorden",
- "Ik ga jullie verbranden",
- "Ik maak jullie dood",
- "Laat me naar binnen, ik maak je af",
althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of (daarbij) een mes, althans een scherp/puntig voorwerp te tonen,
3. hij, op of omstreeks 10 september 2025 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een voertuig (met kenteken [kentekennummer] ) in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel
of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt;
4. hij, op of omstreeks 14 september 2025 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk
- een politiecel,
- (het raam van) een verhoorkamer,
- een tafel, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Politie (Overkampweg 109 te Dordrecht), toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt
5. hij, op of omstreeks 14 september 2025 te Dordrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) een tafel tegen een glazen wand van/in de verhoorkamer heeft gegooid terwijl die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] zich achter die glazen wand bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Dordrecht [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (met kracht) een tafel tegen een glazen wand van/in de verhoorkamer naar die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te gooien terwijl die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] zich achter die glazen wand bevonden.

2.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1.
Standpunt verdediging en officier van justitie
De raadsvrouw van de verdachte en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 3, omdat er een klacht van de aangeefster ontbreekt.
2.2.
Oordeel van de rechtbank
De officier van justitie is niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 3. Het gaat hier om een klachtdelict. Een klacht ontbreekt. De verdachte kan in zo’n geval alleen vervolgd worden als uit een aangifte of andere stukken duidelijk blijkt dat het slachtoffer van het delict vervolging wil. De moeder van de verdachte heeft tijdens haar aanvullende verhoor verklaard dat zij wil dat de verdachte hulp krijgt, niet dat zij vervolging wenst.

3.Bewijs

3.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte van feit 5 primair moet worden vrijgesproken. Verder vordert zij dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1,2, 4 en 5 subsidiair.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 5. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 2 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Betrouwbaarheidsverweer feit 1
3.3.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verklaring van de moeder van de verdachte (aangeefster) en de verklaring van zijn broer (getuige) onvoldoende betrouwbaar zijn en daarmee onbruikbaar zijn voor het bewijs. De moeder en de broer van de verdachte verklaren volgens de verdediging verschillend en inconsistent.
3.3.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte van de moeder van de verdachte. Zij heeft consistent, consequent en gedetailleerd verklaard. Haar aangifte wordt ondersteund en bevestigd door de getuigenverklaring van de broer van de verdachte. Bovendien verklaart zowel zijn moeder als zijn broer consistent over dreigende woorden van dezelfde strekking en een bedreiging met een mes. De rechtbank acht de aangifte en de getuigenverklaring daarom voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor de bewezenverklaring.
3.3.3
Conclusie
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen neemt de rechtbank als vaststaand aan dat er op 27 en 29 augustus 2025 een conflict heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en zijn moeder. De verdachte heeft zijn moeder bedreigd met een mes en sprak haar aan met dreigende woorden. Dit blijkt uit de aangifte van zijn moeder en haar aangifte wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van zijn broer. Bewezen is dus dat de verdachte zich op 27 en 29 augustus 2025 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met een mes van
[slachtoffer 1] .
3.4
Bewezenverklaring van feiten 2 en 4 zonder nadere motivering
De verdachte heeft de feiten 2 en 4 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. Dat geldt ook voor het tenlastegelegde tonen van een mes, nu dit in voldoende mate uit de verklaringen van de moeder en de broer van de verdachte blijkt.
3.5
Vrijspraak van feit 5
Feit 5 primair
De vraag is of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor de aanwezigheid van voorwaardelijk opzet is ten eerste nodig dat er een aanmerkelijke kans was op zwaar lichamelijk letsel.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit het strafdossier blijkt dat de verdachte uit woede een tafel tegen het raam van de verhoorkamer heeft aangegooid. Op dat moment bevond hij zich alleen in de verhoorkamer. De politieagenten [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] bevonden zich tijdens dat incident in een naastgelegen ruimte. Tussen de verhoorkamer en deze ruimte bevond zich een raam van veiligheidsglas. De rechtbank is van oordeel dat het gooien van een tafel tegen dit raam niet zonder meer een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij de agenten met zich brengt. Dat de agenten mogelijk geraakt zouden kunnen worden door glassplinters, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair onder feit 5 tenlastegelegde.
Feit 5 subsidiair
Dit feit is niet bewezen. Uit het strafdossier blijkt niet de verdachte de intentie had om de politieagenten te bedreigen. Bovendien blijkt niet of dat hij bij het gooien van de tafel dreigende uitspraken richting de agenten heeft gedaan. Zijn handelen valt vooral te omschrijven als een ongerichte woede-uitbarsting. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het ontstaan van de vrees bij de politieagenten dat zij het leven zouden kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Het bovenstaande leidt ertoe dat het onder feit 5 subsidiair ten laste gelegde niet is bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
3.6
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen (feiten 1,2 en 4)
Bewezen is dat de verdachte:
op verschillende tijdstippen in de periode van 24 augustus 2025 tot en met 29 augustus 2025 te Dordrecht, [slachtoffer 1] heeft bedreigd telkens met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- "geef geld, anders ga ik je wat aan doen",
- "ik ga je vermoorden’
- "ik ga je woning in brand steken",
althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en daarbij een mes te tonen;
2. op 10 september 2025 te Dordrecht, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:
-"Ik ga jullie vermoorden",
- "Ik ga jullie verbranden",
- "Ik maak jullie dood",
- "Laat me naar binnen, ik maak je af",
althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en daarbij een mes te tonen;
4. op of omstreeks 14 september 2025 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk
- een politiecel,
- (het raam van) een verhoorkamer,
- een tafel,
dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Politie (Overkampweg 109 te Dordrecht), toebehoorde onbruikbaar heeft gemaakt, heeft vernield en heeft beschadigd.
Bewijsmiddelen:
Feit 1
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 1] [1]
Ik doe hierbij aangifte van bedreiging tegen mijn zoon, [verdachte] . [voornaam verdachte] valt mij lastig, hij staat heel vaak voor de deur van mijn woning in Dordrecht. Als [voornaam verdachte] aan de deur staat vraagt mij gelijk om geld. Als ik hem geen geld geef, gaat [voornaam verdachte] gelijk dreigen door tegen de deur te slaan. Hij zegt dan dingen als: “Geef geld, anders ga ik je wat aan doen." [voornaam verdachte] uit altijd bedreigingen naar mij. De laatste keer was vannacht, woensdag 27 augustus 2025 omstreeks 02:00 uur. Hij vroeg weer om geld en heeft tegen het raam van de woning geslagen. Ook heb wel eens een mes bij [voornaam verdachte] gezien. [voornaam verdachte] zegt dan dat hij mij zou vermoorden en ons allemaal zou vermoorden. Ook heeft hij wel gezegd dat hij de woning in brand zou steken.
2.
Proces-verbaal van de politie, aanvullende verklaring aangeefster [slachtoffer 1] [2]
Ik heb het mes meerdere malen gezien. Het is een klein mes, deze heeft hij altijd bij zich. Hij vraagt dan ook geld aan mij, maar ik heb niet veel geld dus ik kan niet altijd geld geven en dan wordt hij nog bozer. Hij pakt dan het mes en roept dan dat hij me gaat vermoorden.
3.
Proces-verbaal van de politie, verklaring van getuige [slachtoffer 2] [3]
Het merendeel van de tijd verblijf ik bij mijn ouders in Dordrecht. Gisteren, op
29 augustus 2025, was ik bij mijn ouders. Ik liep naar de woonkamer en zag ik zag [verdachte] staan. Ik zag dat hij tegenover mijn moeder stond met zijn handpalm omhoog richting haar. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij geld wilde van [slachtoffer 1] . Ik hoorde dat hij haar dood zou maken als hij geen geld van haar zou krijgen. Ik hoorde dat hij hard riep in het Marokkaans: "Ik zweer het, ik maak jullie dood!"
4.
Proces-verbaal van de politie, verklaring van getuige [slachtoffer 2] [4]
Ik heb het mes gezien. Ik zag dat [verdachte] uit zijn broekzak een aardappelschil mesje pakte met een zwart handvat. Tegelijkertijd hoorde ik mijn broertje zeggen: Wollah, ik steek jullie.
Feit 2 en 4
De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 2 en 4 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 1] [5]
2. Proces-verbaal van de politie, aanvullende verklaring aangeefster [slachtoffer 1] [6]
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [slachtoffer 2] [7]
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 2] [8]
5. Proces-verbaal van bevindingen [9]
6. Proces-verbaal van bevindingen [10]

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en brandstichting, meermalen gepleegd;
Feit 2
: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
Feit 4:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken, vernielen en beschadigen.
4.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en maatregel

5.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden meewerken aan beschermd wonen en dagbesteding, en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Daarnaast eist de officier van justitie een oplegging van een maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende contact- en locatieverboden, waarbij per overtreding twee weken hechtenis opgelegd wordt, en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.
5.2.
Oordeel van de rechtbank
5.2.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zijn broer en zijn ernstig zieke moeder meerdere keren bedreigd en daarbij heeft hij een mes gebruikt. Hij zocht zijn ouders op bij hun woning en creëerde een uiterst dreigende en stressvolle situatie voor deze kwetsbare personen. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op het veiligheidsgevoel van zijn ouders en van zijn broer. Daarnaast heeft de verdachte in het politiebureau een politiecel onbruikbaar gemaakt, een tafel van de verhoorkamer beschadigd en het raam van de verhoorkamer vernield. Dit levert overlast op voor de politie en zij moeten kosten maken om een en ander weer te herstellen. Bovendien konden de politiecel en de verhoorkamer daardoor enige tijd niet worden gebruikt.
5.2.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 november 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Bovendien liep de verdachte in een proeftijd van een eerdere veroordeling. Het strafblad van de verdachte leidt daarom tot een iets hogere straf.
Rapport van deskundigen en de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 18 december 2025 staat dat de verdachte niet wilde meewerken aan het rapport voor de rechtszitting. Daardoor kon het herhalingsgevaar niet worden ingeschat. Reclassering Nederland schat het risico op onttrekking aan voorwaarden in als hoog en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft een langdurige psychiatrische voorgeschiedenis en het psychosociaal functioneren van betrokkene lijkt momenteel nog zorgelijk te zijn. Verschillende GGZ-trajecten bleken echter onvoldoende effectief te zijn. De verdachte heeft zich niet meewerkend opgesteld ten opzichte van de reclassering, waardoor zij geen mogelijkheden zien voor gedragsverandering of eventuele hulpverlening door middel van interventies.
Uit correspondentie met de re-integratieofficier van de gemeente Dordrecht, de heer
[persoon A] , van 10 december 2025 blijkt dat de verdachte openstaat voor een intensieve beschermde woonvorm bij Reeweg Zuid van Antes Zorg of een voorziening van Domus Plus van het Leger des Heils.
Uit correspondentie met de coördinator van Reakt, mevrouw [persoon B] , van
12 november 2025 blijkt dat de verdachte kan starten met dagbesteding zodra hij een indicatie heeft.
5.2.3.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Bij de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte past een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Al met al vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van voorarrest op zijn plaats. Van deze gevangenisstraf worden 46 dagen voorwaardelijk opgelegd.
Nu het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf gelijk is aan het voorarrest, zal de voorlopige hechtenis van de verdachte bij afzonderlijke beslissing worden opgeheven.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die aansluiten bij de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die zijn omschreven door de re-integratieofficier. De bijzondere voorwaarden zijn ook noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Gelet op het strafblad van de verdachte moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om de maatschappij te beveiligen en om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 1 jaar. Deze maatregel houdt in:
  • een gebiedsverbod voor de Johan Willem Frisostraat te Dordrecht en de Patersweg te Dordrecht;
  • een contactverbod met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1963), [slachtoffer 6] (geboren op [geboortedatum 3] 1952) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 4] 1981).
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee weken, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart deze maatregel dadelijk uitvoerbaar omdat er gelet op het strafblad, de voorgeschiedenis en het rapport van Reclassering Nederland ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van zijn ouders en zijn broer. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.

6.Vordering van de benadeelde partijen

In deze procedure hebben zich de volgende benadeelde partijen gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
  • De Politie (ter zake van feit 4);
  • [slachtoffer 4] (ter zake van feit 5);
  • [slachtoffer 5] (ter zake van feit 5).
De vordering van de politie
De politie heeft als benadeelde partij voor feit 4 € 82,43 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 82,43 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte
€ 82,43,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 14 september 2025.
De rechtbank zal in dit geval afzien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat de politie als overheidsinstantie in staat moet worden geacht om de aan haar verschuldigde schadevergoeding te innen, althans om zich daartoe van juridische bijstand te voorzien. Daarmee ontvalt naar het oordeel van de rechtbank het belang voor de politie bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
.
De vordering van [slachtoffer 4]
heeft als benadeelde partij voor feit 5 € 400,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 5.
De vordering van [slachtoffer 5]
heeft als benadeelde partij voor feit 5 € 400,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 5.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 38v, 38w, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 3;
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 5 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1,2 en 4, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 150 (honderdvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat de
46 (zesenveertig) dagen, van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen zoals Reeweg Zuid (van Antes Zorg) of Domus + (van het Leger des Heils), of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
2. de verdachte zich zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor de feiten 1 en 2 op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 1 (één) jaar,inhoudende dat de verdachte:
1. zich gedurende 1 jaar na heden niet zal bevinden in de Johan Willem Frisostraat te Dordrecht en de Patersweg te Dordrecht;
2. zich gedurende 1 jaar na heden op geen enkele wijze contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1963), [slachtoffer 6] (geboren op [geboortedatum 3] 1952) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 4] 1981);
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van
2 weken, met een totale duur van ten hoogste
zes maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Vorderingen benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de vorderingen (feit 5);
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij de Politie (feit 4), te betalen een bedrag van
€ 82,43 (zegge: tweeëntachtig euro en drieënveertig cent), bestaande uit € 82,43 als vergoeding van materiële schade en de wettelijke rente hierover vanaf 14 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte geen maatregel tot schadevergoedingsmaatregel op, omdat de politie als overheidsinstantie in staat moet worden geacht om de aan haar verschuldigde schadevergoeding te innen, althans om zich daartoe van juridische bijstand te voorzien.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. N. van Esch en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Yenice, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 december 2025.
De griffier is niet in staat om het vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Procesverbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] . Pagina 5.
2.Procesverbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] Pagina 9.
3.Procesverbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] . Pagina 13.
4.Procesverbaalnummer [nummer proces-verbaal 4] . Pagina 16.
5.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 5] Pagina 13.
6.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 6] . Pagina 20.
7.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 7] . Pagina 23.
8.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 8] . Pagina 38.
9.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 9] . Pagina 59.
10.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 10] . Pagina 83.