ECLI:NL:RBROT:2025:15426

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
10-324953-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdzaak betreffende explosies veroorzaakt door vijftienjarige verdachte

In deze jeugdzaak heeft de rechtbank Rotterdam op 4 november 2025 uitspraak gedaan tegen een vijftienjarige verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van twee explosies. De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk teweegbrengen van ontploffingen op 12 oktober 2024 en 30 september 2024, waarbij gevaar voor goederen en levensgevaar voor omwonenden te duchten was. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, ondanks zijn ontkenning, voldoende wettig en overtuigend bewijs had geleverd dat hij betrokken was bij de explosies. De rechtbank legde een jeugddetentie op van 180 dagen, waarvan 111 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 60 uren. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn leeftijd en de impact van de feiten op de slachtoffers. De benadeelde partijen, waaronder de eigenaar van de beschadigde winkels, dienden schadeclaims in, die gedeeltelijk werden toegewezen. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de noodzaak van gedragsverandering en begeleiding van de verdachte.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10-324953-24
Datum uitspraak: 4 november 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] [postcode] te [woonplaats]
raadsman mr. N.M. Fakiri, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 21 oktober 2025.

2.Tenlastelegging

De verdachte staat terecht op de verdenking van twee strafbare feiten. De volledige omschrijving is opgenomen in bijlage I. Het gaat om:
  • feit 1: teweegbrengen van een ontploffing op 12 oktober 2024 bij [naam winkel 1] en [naam winkel 2] ;
  • feit 2: teweegbrengen van een ontploffing op 30 september 2024 aan de [adres 2] .

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van de feiten 1 en 2;
  • veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest (69 dagen), waarvan 111 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijsuitsluiting onderzoek telefoons
De verdediging heeft verzocht om de resultaten van de onderzoeken aan de telefoon van de verdachte uit te sluiten van het bewijs, omdat dit bewijs onrechtmatig is verkregen. Het uitlezen van de telefoon is ingezet zonder voorafgaande toets van de rechter-commissaris, zodat er geen bescherming is geweest tegen de ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de persoonsgegevens van de verdachte.
De rechtbank constateert dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering. De vormfout bestaat eruit dat er zonder een machtiging van de rechter-commissaris onderzoek in de telefoon van de verdachte heeft plaatsgevonden waarbij is gekeken naar video’s, berichten en locatiegegevens. Er is echter geen reden voor uitsluiting van het aangetroffen bewijs. De privacy-inbreuk is in zoverre gemitigeerd dat in de processen-verbaal van het onderzoek van de telefoon hoofdzakelijk wordt ingegaan op een beperkt aantal video’s, berichten en locatiegegevens die kennelijk een verband hebben met explosies, het feit waarvan de verdachte op dat moment (en ook nu nog) verdacht werd. Deze privacy-inbreuk hoeft daarom niet te leiden tot een bewijsuitsluiting. Het argument van de verdediging dat de gegevens die uit de telefoon zijn verkregen tegen de verdachte worden gebruikt, leidt niet tot een ander oordeel. In de kern genomen komt dat argument er immers op neer dat hij is geschaad in het belang om niet ‘ontdekt’ of veroordeeld te worden. Dat is geen rechtens te respecteren belang. De rechtbank ziet ook geen reden om een ander rechtsgevolg dan bewijsuitsluiting, zoals strafmatiging, aan de vormfout te verbinden. De rechtbank zal volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim.
4.2.
Bewijswaardering
4.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 2. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de persoon is geweest die de explosies teweeg heeft gebracht.
Voor feit 1 heeft de verdachte verklaard dat hij de explosie enkel heeft gefilmd. Dit scenario is op basis van het dossier aannemelijk. Verder blijkt uit de chatgesprekken niet dat wordt gesproken over vuurwerk of het plegen van een aanslag.
Over feit 2 heeft de verdachte verklaard dat hij zijn telefoon had uitgeleend. Hierna zag hij op zijn telefoon een videofragment van een explosie en bij navraag bij de persoon die het videofragment had gemaakt bleek dat dit op de [adres 2] was gebeurd. Hij heeft daarna uit nieuwsgierigheid op het adres gezocht. De verdediging heeft betwist dat de aangetroffen video door de verdachte is gemaakt. De verdachte is niet zichtbaar en de hand die op de video is te zien, is niet van de verdachte.
Subsidiair is voor beide feiten verzocht om partiele vrijspraak van ‘het duchten van levensgevaar’ en van een ‘vuurwerkbom, althans zwaar vuurwerk’.
4.2.2.
Beoordeling
Feit 1: explosie 12 oktober 2024
Explosie
Op 12 oktober 2024 heeft omstreeks 02:20 uur een ontploffing plaatsgevonden bij [naam winkel 1] op de [adres 3] in Rotterdam. Omwonenden hebben een harde klap gehoord en verbalisanten hebben schade geconstateerd die qua aard past bij een explosie; de ruit van de toegangsdeur was vernield, het raam lag uit het kozijn, er lagen glasscherven over het trottoir en de weg voor het pand verspreid en de toonbank was zwaar beschadigd.
Betrokkenheid verdachte
Op basis van de verklaring van de verdachte, namelijk dat hij heeft gefilmd toen iemand anders een explosie heeft gepleegd, staat vast dat de verdachte op het moment van de explosie ter plaatse was. De rechtbank vindt dat er ook voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte degene is geweest die de ontploffing teweeg heeft gebracht.
Uit onderzoek naar de telefoon van de verdachte is gebleken dat de verdachte via Snapchat (met accountnaam
[accountnaam 1]en gebruikersnaam
[gebruikersnaam 1]) heeft gesproken over de voorbereiding van de explosie. In de avond voordat de explosie plaatsvond nam de verdachte deel aan een groepsgesprek met
[accountnaam 2]en
[gebruikersnaam 2]Uit het gesprek blijkt dat de verdachte degene is die de klus gaat klaren, dat hij geen vervoer nodig heeft en dat hij van
[gebruikersnaam 2]de spullen krijgt die hij nodig heeft om de explosie te veroorzaken, namelijk een cobra geplakt aan een flesje terpentine of benzine die hij kan aansteken. Diezelfde avond heeft de verdachte ook een gesprek met
[accountnaam 3]waaruit de rechtbank opmaakt dat hij door
[gebruikersnaam 2]een cobra 6 heeft maar geen vervoer.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van de verdachte, dat hij de explosie alleen heeft gefilmd, ongeloofwaardig. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die een vuurwerkbom heeft aangestoken en door de ruit van [naam winkel 1] heeft gegooid.
Levensgevaar
Het handelen van de verdachte levert een situatie op waarin naar algemene ervaringsregels niet alleen gevaar voor goederen, maar ook een voorzienbaar levensgevaar voor anderen te duchten was. Het pand van [naam winkel 1] is gevestigd onder een wooncomplex met daarboven meerdere woningen. De explosie vond midden in de nacht plaats zodat het aannemelijk is dat op dat moment mensen thuis waren. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [persoon C] , die op het moment van de explosie in de woning boven het [naam winkel 1] was.
Omdat de rechtbank de camerabeelden en de door de verdediging genoemde getuigenverklaringen niet voor het bewijs bezigt, komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijk verzoek om getuigen nader te horen.
Feit 2: explosie 30 september 2024
Explosie
Op 30 september 2024 heeft omstreeks 01:12 uur een ontploffing plaatsgevonden aan de [adres 2] in Rotterdam. Omwonenden hebben een harde knal gehoord. Verbalisanten hebben geconstateerd dat het dakje boven de voordeur zwartgeblakerd was en dat er bij de voordeur een gesmolten plastic fles en meerdere kartonnenresten van vermoedelijk vuurwerk lagen.
Betrokkenheid verdachte
Uit onderzoek naar de telefoon van de verdachte blijkt dat er op 29 en 30 september 2024 veelvuldig is gezocht op het adres: ‘ [adres 2] ’. Ook is met de telefoon vlak voor de explosie een route gezocht naar het Liduinaplein, wat op vier minuten loopafstand van de [adres 2] ligt. Daarnaast is uit het onderzoek gebleken dat vlak na de explosie een video is geüpload. In deze video is te zien dat de lont van een vuurwerkbom wordt aangestoken. De trap die in de video zichtbaar was is vergeleken met de trap bij de pleeglocatie. Er is geconstateerd dat het dezelfde trap van de woning aan [adres 2] betreft.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet diegene is geweest die gezocht heeft op het adres, omdat hij zijn telefoon had uitgeleend. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. De verdachte heeft desgevraagd op de zitting verklaard dat hij zijn telefoon één dag had uitgeleend, maar ook nadat de explosie heeft plaatsgevonden is met die telefoon – op 1, 2, 3 en 11 oktober 2024 – veelvuldig gezocht op de [adres 2] . Daarnaast blijkt uit de video dat bij het ontsteken van de vuurwerkbom een steekvlam ontstond en dat de steekvlam de rechterhand van de verdachte raakte ter hoogte van de linkerzijde van de wijsvinger. Verbalisanten hebben tijdens de aanhouding op 12 oktober 2024 op exact dezelfde plek een schroeiplek bij de verdachte geconstateerd.
Gelet op de tijdstippen van de zoekopdrachten en de explosie, de video met de vuurwerkbom en het wondje op zijn wijsvinger acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de explosie teweeg heeft gebracht.
Vuurwerkbom
Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat er een vuurwerkbom met zwaar illegaal vuurwerk is geplaatst. Verbalisanten hebben op de hiervoor genoemde video gezien dat er cilindervormige voorwerpen in zwart tape samengebonden waren aan een grote plastic fles met gele vloeistof. Zij hebben deze constructie ambtshalve herkend als een vuurwerkbom.
Levensgevaar
Er is onvoldoende gebleken dat de explosie bij de [adres 2] levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel kon opleveren. De woning was vrijstaand en stond op het moment van de explosie leeg. Dat sluit niet uit dat een brand in dit pand zou overslaan naar omliggende woningen, maar dat er vervolgens in die andere woningen levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel zou ontstaan, is op basis van het dossier en algemene ervaringsregels niet vast te stellen.
4.2.3.
Conclusie
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte feiten 1 en 2 heeft begaan. De rechtbank verwijst verder naar bijlage II voor de inhoud van de gehanteerde bewijsmiddelen.
4.3.
Bewezenverklaring
De verdachte heeft de feiten op die wijze begaan dat:
1.
hij op
of omstreeks12 oktober 2024 te Rotterdam,
althans in Nederland,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een
brandende/aangestoken vuurwerkbom, althans zwaar illegaal vuurwerk, te gooien door een opening/gat in een ruit van [naam winkel 1] en [naam winkel 2] . (gevestigd aan de [adres 3] ), terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten
één ofmeer aangrenzende woningen en
/ofpanden en
/of
- levensgevaar en
/ofgevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
één ofbewoners van voornoemde woningen en
/oféén of meer personen die zich bevonden in de omgeving van voornoemde [naam winkel 1] en [naam winkel 2] .
te duchten was;
2.
hij op
of omstreeks30 september 2024 te Rotterdam,
althans in Nederland,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbom,
althans zwaar vuurwerk,aan te steken en
/oftot ontploffing te brengen
bij/voor het pand aan de [adres 2] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten één of meer aangrenzende woningen en
/ofpanden
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten één of meer personen in zich bevonden in aangrenzende woningen en/of één of personen die zich bevonden in de omgeving van voornoemd pand aan de [adres 2] ,
te duchten was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
Feit 1: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
Feit 2: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straffen

7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan het veroorzaken van twee explosies. Hij heeft grote schade aangebracht aan het bedrijfspand van [naam winkel 1] , het was een ravage. Ook is schade toegebracht aan het pand aan de [adres 2] . Uit de verklaring van de heer [persoon A] , voormalig eigenaar van [naam winkel 1] , op zitting blijkt hoeveel impact de explosie heeft gehad op hem, het bedrijf en op zijn gezin. Zowel financieel als mentaal heeft het grote gevolgen gehad die nog steeds voortduren.
Ook voor omwonenden hebben explosies gevolgen. Het zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid bij en tot veel onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Daarmee heeft de verdachte bijgedragen aan een zeer intimiderende vorm van geweld.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 oktober 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming(hierna: de Raad) heeft op 15 oktober 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt.
Daaruit blijkt het volgende.
  • De verdachte lijkt over het algemeen over voldoende vaardigheden te beschikken om probleemsituaties op een adequate wijze op te lossen. Hij is beleefd, bekend met de algemeen geldende normen en waarden, maar kan soms in situaties niet de juiste gedragskeuze maken.
  • De verdachte heeft in zijn schorsing goed meegewerkt aan zijn verplichte begeleiding en schorsingsvoorwaarden. Voortzetting van begeleiding acht de Raad niet passend, omdat er momenteel te weinig doelen zijn waarop jeugdreclasseringstoezicht zich kan richten.
  • De Raad adviseert een onvoorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf. De Raad vindt het niet passend dat hij terugkeert in jeugddetentie, omdat de verdachte twee maanden in voorarrest in de jeugdgevangenis heeft gezeten en hij de consequenties van zijn delictgedrag heeft ervaren.
  • De Raad is van mening dat een onvoorwaardelijk taakstraf in de vorm van een werkstraf een passende afdoening is, omdat antisociaal gedrag niet wordt geaccepteerd in de maatschappij en er sprake is van een zwaar delict.
De gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond(hierna: te noemen JBRR) heeft op 7 oktober 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt.
Daaruit blijkt het volgende.
  • De delicten zijn vermoedelijk ingegeven door de verleiding van financiële beloning. Zijn gevoeligheid voor status en materialisme lijken daarbij een belangrijke rol te hebben gespeeld. Daarbij raakte hij in contact met antisociale leeftijdsgenoten bij de pizzeria waar hij destijds werkte. Inmiddels werkt hij daar niet meer en heeft hij afstand genomen van deze contacten.
  • De verdachte heeft zijn schorsingsperiode positief benut: hij heeft aangetoond dat hij in staat is om zijn ontwikkeling zelfstandig voort te zetten. De bestaande zorgstructuur op school en de ondersteuning vanuit het gezin bieden daarbij voldoende houvast. Het bestraffende karakter van zijn schorsingsvoorwaarden hebben indruk gemaakt en hem bewust gemaakt van de mogelijke gevolgen van zijn gedrag.
  • De jeugdreclassering ziet daarom geen noodzaak voor voortzetting van toezicht. De jeugdreclassering adviseert om aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen, met aftrek van het voorarrest, met de algemene voorwaarde. De jeugdreclassering ziet geen aanleiding voor verdere betrokkenheid vanwege de positieve ontwikkeling binnen verschillende leefdomeinen en het lage recidiverisico.
Op de zitting is als deskundige gehoord
[persoon B] , jeugdreclasseerder bij JBRR.Hij heeft in aanvulling op zijn rapport toegelicht dat de verdachte in zijn schorsingsperiode hard heeft gewerkt en een goed schorsingstraject heeft doorlopen. Ondanks zijn proceshouding wordt ingeschat dat hij niet zal recidiveren. Hij heeft geen nieuwe politieregistraties en er zijn geen aanwijzingen dat hij nog omgaat met jongens met slechte invloeden. School was louter positief over hem, hij kickbokst, heeft stage gelopen en is begonnen als jongerencoach. Ook op basis van de gesprekken met zijn coach en moeder is de verwachting dat hij niet opnieuw de fout ingaat.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de strafbare feiten (15 jaar) is het jeugdstrafrecht van toepassing. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk minder op het straffen zelf, en meer op gedragsverandering, begeleiding en heropvoeding van minderjarigen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de fase van hun ontwikkeling.
Deze doelen van het jeugdstrafrecht doen er niet aan af dat het hier gaat om ernstige strafbare feiten die heftig zijn voor de slachtoffers en omgeving. Bij dat soort feiten vindt de rechtbank jeugddetentie passend. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken aan verdachten van (circa) 15 jaar worden opgelegd.
De vraag is of een deel van die straf voorwaardelijk opgelegd moet worden. Daarvoor is het volgende van belang. De rechtbank tast in het duister over de redenen die de verdachte heeft bewogen tot het plegen van deze feiten. Het is zorgwekkend dat de verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden. De positieve ontwikkeling die wordt gezien door met name de jeugdreclassering heeft de rechtbank op zitting niet kunnen waarnemen. Toch zal de rechtbank rekening houden met de adviezen die zijn gegeven door de deskundigen en een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft als doel dat de verdachte in de toekomst niet opnieuw strafbare feiten gaat plegen. Het doel is ook om de door de jeugdreclassering geschetste positieve ontwikkeling van de verdachte in het afgelopen jaar niet te doorkruisen.
Het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal gelijk zijn aan de duur van het voorarrest, omdat de rechtbank, net als de officier van justitie en de verdediging, het niet passend vindt dat de verdachte nu, een jaar na de feiten, terug zou gaan naar de jeugdgevangenis. Wel zal de rechtbank nog een werkstraf aan de verdachte opleggen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8.Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen

8.1.
Vorderingen
[naam winkel 1] en [naam winkel 2] . en diens eigenaar de heer [persoon A] hebben in deze procedure vorderingen ingediend. Zij vragen schadevergoeding in verband met feit 1. [naam winkel 1] en [naam winkel 2] . vordert € 35.002,58 aan materiële schade en € 1.572,00 aan proceskosten. [persoon A] vordert € 2.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen vorderen ook wettelijke rente en vragen om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vorderingen zijn een dag voor de zitting ingediend. De verdachte heeft de gelegenheid gekregen na de zitting schriftelijk te reageren op de vorderingen. Dat heeft hij gedaan bij brief/email van zijn advocaat van 28 oktober 2025. De benadeelde partijen hebben daarop op 29 oktober 2025 gereageerd. De verdachte heeft daarop niet meer gereageerd. In de reactie van de benadeelde partijen van 29 oktober 2025 zijn nieuwe stukken, foto’s en bijlagen, bijgevoegd. De rechtbank betrekt zowel die foto’s als de bijlagen niet bij de beoordeling van de vorderingen. Deze stukken zijn te laat in het geding gebracht. De verdachte zou te veel worden beperkt in zijn verdediging als met deze nieuwe stukken rekening zou worden gehouden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een nadere mondelinge behandeling. Daar waar de uitleg van de benadeelde partijen om een nadere toelichting vraagt zullen zij, zoals hierna zal blijken, de gelegenheid hebben de vordering voor de burgerlijke rechter te brengen.
8.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
8.3.
Standpunt verdediging
[naam winkel 1] en [naam winkel 2]
De verdediging heeft primair verzocht om de vordering van [naam winkel 1] en [naam winkel 2] af te wijzen. Er hebben na 12 oktober 2024 nog twee explosies (op 15 en 19 oktober 2024) plaatsgebonden bij [naam winkel 1] . Deze explosies vallen alle drie in de periode van de spoedsluiting. Er is daarom geen sprake is van een causaal verband tussen de geleden schade en de explosie van 12 oktober 2024. Subsidiair is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Meer subsidiair is verzocht om de schade te matigen tot die welke gerelateerd kan worden aan enkel de explosie van 12 oktober 2024. De verdediging heeft ook verzocht om proceskosten af te wijzen.
[persoon A]
De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen, omdat er geen sprake is van een causaal verband tussen de gestelde schade en de explosie van 12 oktober 2024. Subsidiair is verzocht om het bedrag te matigen tot € 500,00. Voorts dienen de proceskosten te worden gematigd bij toewijzing nu de raadsman ook namens [persoon A] aanwezig was op de zitting.
8.4.
Beoordeling
De rechtbank overweegt over de vorderingen van de benadeelde partijen het volgende.
[naam winkel 1] en [naam winkel 2]
Vooropgesteld wordt dat de btw over de verschillende posten geen schade betreft, omdat de benadeelde partij deze kosten kan terugvorderen van de belastingdienst. De advocaat van de benadeelde partij heeft dit ook op de zitting erkend. Alle toe te wijzen bedragen zijn dus, indien van toepassing, exclusief de btw.
Opruimkosten, noodvoorziening en spoedreparatie
Door de explosie van 12 oktober 2024 is grote schade ontstaan in het pand en de overgelegde factuur dateert eveneens van 12 oktober 2024. De kosten voor het opruimen van het pand (€ 500,00), het aanleggen van de noodvoorziening (€ 1500,00) en de spoedreparatie (€ 1500,00) zijn toewijsbaar. Een nadere specificatie van deze kosten is niet nodig.
Vervanging ruit en tegels toonbank
Uit het proces-verbaal van bevindingen (met nummer [nummer proces-verbaal 1] ) blijkt dat door de explosie van 12 oktober 2024 de ruit van de toegangsdeur is vernield. De kosten voor het vervangen van de ruit zijn toewijsbaar (€ 2.300,00). Uit het proces-verbaal van bevindingen (met nummer [nummer proces-verbaal 2] ) blijkt dat door de explosie van 12 oktober 2024 de toonbank zwaar beschadigd was. De kosten voor het herstel van de tegels van de toonbank zijn toewijsbaar (€ 267,12).
Voor beide posten geldt dat op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de verdachte aansprakelijk is voor deze toegebrachte schade. Ook wanneer er mogelijk extra schade aan de ruit en de toonbank is ontstaan door de latere explosies, is de verdachte op grond van artikel 6:99 BW aansprakelijk voor de herstelkosten.
Winstderving
De kostenpost met betrekking tot de gederfde winst is summier onderbouwd met een korte verklaring van de boekhouder. Deze post is door de verdediging betwist. Een behoorlijke beoordeling van deze kostenpost vergt nader onderzoek en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal voor deze kostenpost niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verlies van huurgenot
De benadeelde partij heeft als gevolg van de explosie geen gebruik kunnen maken van het door hem gehuurde pand. De burgemeester heeft het pand immers gesloten. De waarde van dit verlies aan huurgenoot is naar het oordeel van de rechtbank gelijk te stellen aan de huur die betaald werd voor het pand. De vraag is over welke periode dit berekend moet worden.
  • Primair wil de benadeelde partij dat dit wordt berekend over drie maanden. Zij stelt dat de burgemeester het pand eerst voor twee weken heeft gesloten met een spoedsluiting en dat dit later is verlengd tot drie maanden. Subsidiair vraagt de benadeelde partij een vergoeding gelijk aan de huur van twee weken, de duur van de spoedsluiting. De verdediging heeft dit betwist.
  • De rechtbank stelt vast dat alleen het besluit tot spoedsluiting en niet het aanvullende sluitingsbesluit door de benadeelde partij is overgelegd. De rechtbank zal daarom enkel de kosten toewijzen in verband met de spoedsluiting. De rechtbank begroot die op € 871,39.
- Ook voor deze post geldt dat er op grond van artikel 6:99 BW geen rekening wordt gehouden met het feit dat er meerdere explosies hebben plaatsgevonden.
Deze schadepost wordt dus deels toegewezen. Voor het niet-toegewezen deel geldt dat een verdere beoordeling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij zal daarom voor het niet-toegewezen deel van deze post niet-ontvankelijk worden verklaard.
Elektriciteitskosten
De benadeelde partij vordert vergoeding van de voorschotnota voor de stroom. Het behoeft echter een nadere onderbouwing waarom dit schade is: het bedrijf lag door de schade stil en zonder nadere toelichting is het niet duidelijk dat (en in welke mate) er stroom werd gebruikt. Dat er een voorschotnota betaald moest worden, maakt dat niet anders. Als er immers geen stroom gebruikt werd tijdens de sluiting (of minder dan normaal), dan ligt voor de hand dat dit via de jaar- of eindafrekening verrekend zou worden. Een verdergaande beoordeling van deze kostenpost vergt nader onderzoek en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal voor deze kostenpost niet-ontvankelijk worden verklaard.
Overige schadeposten
De overige posten zijn toewijsbaar voor een periode van twee weken in verband met de spoedsluiting. Per post wordt 14/30ste van het maandbedrag gerekend:
  • internet- en telefoniekosten (€ 34,19);
  • verzekering bezorgscooter (€ 113,61);
  • boekhoudkosten (€ 77,14);
  • kosten alarmsysteem (€ 24,17).
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de
wettelijke rente. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 12 oktober 2024.
Proceskosten
Beide partijen worden over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Conclusie
De conclusies zijn als volgt:
  • de verdachte moet de benadeelde partij [naam winkel 1] en [naam winkel 2] een schadevergoeding betalen van € 7.187,62 aan materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • over het resterende deel van de gevorderde schadevergoedingen wordt in deze procedure geen verdere beslissing genomen. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht;
  • verder wordt oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
[persoon A]
Uit het schadeonderbouwingsformulier en de door de benadeelde partij overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat hij nadelige gevolgen als gevolg van feit 1 heeft ervaren. Gelet op de aard en de ernst van de normschending neemt de rechtbank aan dat de benadeelde partij in zijn persoon is aangetast, zodat de vordering geheel zal worden toegewezen (€ 2.000,00).
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 12 oktober 2024.
Proceskosten
Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij [persoon A] een schadevergoeding betalen van € 2.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat deze jeugddetentie een gedeelte van de jeugddetentie groot
111 (honderdelf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;
stelt de proeftijd vast op
2 (twee) jarenonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
30 (dertig) dagen;
bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, indien de veroordeelde bij aanvang van de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
[naam winkel 1] en [naam winkel 2]
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam winkel 1] en [naam winkel 2] , te betalen een bedrag van
€ 7.187,62 (zegge: zevenduizend honderdzevenentachtig euro en tweeënzestig cent),bestaande uit aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
bepaalt dat de verdachte en [naam winkel 1] en [naam winkel 2] . ieder hun eigen proceskosten van deze procedure moeten dragen;
legt aan de verdachte de
maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam winkel 1] en [naam winkel 2] te betalen
€ 7.187,62 (hoofdsom, zegge: zevenduizend honderdzevenentachtig euro en tweeënzestig cent),vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
[persoon A]
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [persoon A] , te betalen een bedrag van
€ 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [persoon A] te betalen
€ 2.000,00 (hoofdsom, zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter,
en mrs. H. Wielhouwer en L.W.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 november 2025.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ontploffing te weeg heeft gebracht door een brandende/aangestoken vuurwerkbom, althans zwaar illegaal vuurwerk, te gooien door een opening/gat in een ruit van [naam winkel 1] en [naam winkel 2] . (gevestigd aan de Vuurplaat 477), terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten één of meer aangrenzende woningen en/of panden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten één of bewoners van voornoemde woningen en/of één of meer personen die zich bevonden in de omgeving van voornoemde [naam winkel 1] en [naam winkel 2] .
te duchten was;
2.
hij op of omstreeks 30 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbom, althans zwaar vuurwerk, aan te steken en/of tot ontploffing te brengen bij/voor het pand aan de [adres 2] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten één of meer aangrenzende woningen en/of panden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten één of meer personen in zich bevonden in aangrenzende woningen en/of één of personen die zich bevonden in de omgeving van voornoemd pand aan de [adres 2] ,
te duchten was.

Voetnoten

1.Berekening: €1.867,27 huur per maand / 30 dagen = 62,24 per dag; periode 12 okt tot 26 okt = 14 dagen; 14 dagen x 62,24 = 871,39