ECLI:NL:RBROT:2025:15483

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
10-075848-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H. van den Heuvel
  • B. Vaz
  • N. Stolk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling brandstichting met gevaar voor goederen met verminderde toerekening

De verdachte heeft bekend op 3 maart 2024 in een woning te Hellevoetsluis brand te hebben gesticht door een brandende aansteker tegen gordijnen te houden, waardoor brand ontstond en gevaar voor goederen in de woning en aangrenzende percelen ontstond.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht met gevaar voor goederen. De verdachte heeft een matige verstandelijke ontwikkelingsstoornis die het gedrag tijdens het feit beïnvloedde, waardoor het feit in verminderde mate aan haar wordt toegerekend. De verdachte heeft geen strafblad en het recidiverisico wordt als laag ingeschat.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 167 dagen op, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar zonder bijzondere voorwaarden. Het onvoorwaardelijke deel is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zodat zij niet terug hoeft naar de gevangenis.

De voorlopige hechtenis wordt opgeheven omdat de straf reeds in voorarrest is uitgezeten. De rechtbank volgt het advies van deskundigen en reclassering dat toezicht en bijzondere voorwaarden niet noodzakelijk zijn.

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis is uitgesproken op 16 december 2025 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Rotterdam.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 167 dagen gevangenisstraf, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, gelijk aan het voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-075848-24
Datum uitspraak: 16 december 2025
Datum zitting: 16 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. M.J. van Berlo
Officier van justitie: mr. B.J.G. Leeuw
Kern van het vonnis
De verdachte heeft bekend brand te hebben gesticht in een woning door de gordijnen in de woonkamer in brand te steken. De rechtbank oordeelt dat kan worden bewezen dat de verdachte brand heeft gesticht met gevaar voor goederen. Het feit wordt de verdachte in verminderde mate toegerekend omdat er sprake is van een matige verstandelijke ontwikkelingsstoornis die van invloed was op het gedrag van de verdachte tijdens het bewezenverklaarde feit. De rechtbank legt aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf zonder bijzondere voorwaarden.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte
op of omstreeks 03 maart 2024 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning (gelegen aan [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, althans een brandend voorwerp, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) gordijn(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat/die gordijn(en), geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in die woning en/of belendende percelen bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk stichten van brand in een woning. Daardoor is een deel van de gordijnen en het plafond beschadigd geraakt en is er gevaar ontstaan voor de overige goederen in de woning en de aangrenzende woningen.
De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Proces-verbaal van de politie, verhoor verdachte [1]
2. Proces-verbaal van de politie [2]
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
op 03 maart 2024 te Hellevoetsluis, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in aanraking gebracht met het gordijn, ten gevolge waarvan die gordijnen, zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in die woning en belendende percelen bevindende goederen, te duchten was.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 258 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit om te volstaan met een gevangenisstraf conform het voorarrest. Een voorwaardelijk strafdeel kan achterwege blijven. Subsidiair is aangevoerd dat bij een eventueel op te leggen voorwaardelijk strafdeel kan worden volstaan met een proeftijd van één jaar zonder bijzondere voorwaarden.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
Brandstichting is bij uitstek een zeer gevaarzettend en voor de omgeving bedreigend delict. Er is schade ontstaan aan de gordijnen en het plafond van de woning. De woning betreft de (tussen)woning van haar zus en zwager, waar de verdachte ook woont. De verdachte heeft verklaard dat zij brand heeft gesticht, omdat zij boos was op haar zus nu zij niet mee uit eten mocht. De reactie op deze situatie acht de rechtbank zorgelijk en buitenproportioneel.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 november 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
Uit de aanvullende
dubbel Pro Justitia-rapportagesdoor psychiater [persoon A] van 28 mei 2024 en 19 augustus 2024 en door klinisch psycholoog [persoon B] van 4 juni 2024 en 8 september 2024 volgt - zakelijk weergegeven - dat sprake is van een matige verstandelijke ontwikkelingsstoornis, die ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde. Bij een bewezenverklaring zullen de begripsproblemen van de verdachte mede hebben gezorgd voor het conflict met haar zus en de hierop volgende beslissing om brand te stichten. De verdachte overziet sociale situaties niet goed en overziet ook niet goed de gevolgen van haar gedrag, waarbij ze vervolgens haar boosheid kan uiten in de vorm van agressie.
Het advies is om het tenlastegelegde indien bewezen in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De verstandelijke ontwikkelingsstoornis is bij een bewezenverklaring direct van invloed geweest op de brandstichting. Er worden in het onderzoek geen aanwijzingen gevonden dat het handelen volledig onder invloed stond van een stoornis en bovendien wist de verdachte dat het handelen niet toelaatbaar was en had zij mogelijkheid om anders te beslissen toen zij besloot om een aansteker te gaan zoeken. Het recidiverisico wordt ingeschat als matig.
Er wordt geadviseerd om het toezicht op te leggen in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Geadviseerd wordt de verdachte bij haar zus te laten blijven wonen in combinatie met toezicht door de Reclassering. Daarmee kan het recidiverisico worden gereduceerd. Indien onverhoopt het verblijf in de woning van de zus toch niet goed verloopt of de verdachte zorg weigert kan worden gekozen voor een tenuitvoerlegging van een eventueel op te leggen deels voorwaardelijke straf en kan vervolgens in detentie een gedwongen klinische opname in een civielrechtelijk kader worden aangevraagd.
In het rapport van
Reclassering Nederlandvan 15 oktober 2025 staat - zakelijk weergegeven - het volgende. Gedurende het afgelopen anderhalf jaar hebben wij onderzocht of er specialistische behandeling/ondersteuning vanuit de verstandelijk gehandicaptenzorg geïndiceerd is. Hiertoe hebben wij begeleiding gestart vanuit de St. Jan Arends. Wij zijn van mening dat dit niet het geval is. De verdachte functioneert thuis op een voor haar maximaal niveau waarbij zij actief en zichtbaar ontspannen is. Er hebben zich geen incidenten voorgedaan. Wij sluiten ons aan bij het advies gegeven in het psychologische onderzoek om mevrouw thuis te laten wonen. Zowel begeleiding als toezicht zijn niet van meerwaarde gebleken in het verbeteren of veranderen van gedragsinzichten of -mogelijkheden. Wij zijn dan ook voornemens het huidige Reclasseringstoezicht af te sluiten. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseren wij een voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden. Wij zien geen mogelijkheden om door middel van interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.
Toerekenbaarheid
Op basis van de rapporten van de psychiater [persoon A] en door klinisch psycholoog [persoon B] stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een matige verstandelijke ontwikkelingsstoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Tevens wordt rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In strafverminderende zin weegt mee dat verdachte geen strafblad heeft en zij ten tijde van het plegen van het strafbare feit verminderd toerekeningsvatbaar was.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 167 dagen opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 60 dagen voorwaardelijk opgelegd met daaraan verbonden de proeftijd van één jaar.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank volgt de conclusie van de reclassering en zal daarom geen bijzondere voorwaarden verbinden aan de voorwaardelijke straf.

5.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 18 juni 2024 geschorst. Nu de verdachte de opgelegde gevangenisstraf reeds in voorarrest heeft uitgezeten, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 167 (honderdzevenenzestig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
60 (zestig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
1 (één)jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. van den Heuvel, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en N. Stolk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 december 2025.
Mrs. H. van den Heuvel en N. Stolk zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Pagina’s 2 en 3 van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] .
2.Pagina1 van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] .