ECLI:NL:RBROT:2025:15484

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
10/264242-23 en VI: 89/000154-37
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H. van den Heuvel
  • B. Vaz
  • N. Stolk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging proeftijd voorwaardelijke invrijheidstelling wegens onvoldoende afronding behandeling

De veroordeelde werd op 10 juni 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan hij op 18 januari 2025 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld met een proeftijd van 365 dagen. De officier van justitie verzocht op 8 december 2025 om verlenging van deze proeftijd met nog eens 365 dagen, onderbouwd met een rapport van de reclassering.

De reclassering adviseerde verlenging omdat de behandelverplichting nog niet structureel was opgepakt door de veroordeelde, die meerdere keren in aanraking kwam met justitie tijdens de proeftijd. De recidivekans werd ingeschat als gemiddeld en voortzetting van toezicht en behandeling noodzakelijk geacht om het recidiverisico te beperken.

Tijdens de terechtzitting op 16 december 2025 werd de vordering besproken. De raadsman betoogde dat verlenging disproportioneel was en vroeg subsidiair om een kortere verlenging van vier maanden. De rechtbank oordeelde echter dat verlenging met 365 dagen noodzakelijk en proportioneel is om de behandeling voort te zetten en de veroordeelde te ondersteunen bij gedragsinzicht.

De rechtbank wees de vordering toe en verlengde de proeftijd met 365 dagen. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam en uitgesproken op 16 december 2025.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 365 dagen wegens onvoldoende afronding van behandeling en recidiverisico.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
VI-zaaknummer: 89/000154-37
Parketnummer: 10/264242-23
Datum uitspraak: 16 december 2025
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak betreffende de veroordeelde
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
Raadsman mr. L.S. Stek, advocaat te Amsterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Voorgaande veroordeling
Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2024 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden opgelegd. Deze veroordeling is op 25 juni 2024 onherroepelijk geworden.
1.2.
Voorwaardelijke invrijheidstelling
Op 18 januari 2025 is de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Hieraan zijn voorwaarden verbonden.
De proeftijd vanaf de dag van voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) bedraagt 365 dagen. De proeftijd zal aflopen op 18 januari 2026.
1.3.
Vordering
Op 8 december 2025 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot verlenging van de proeftijd met 365 dagen van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de opgelegde gevangenisstraf.
Bij de vordering is het rapport genaamd Verlengingsadvies v.i. van 20 november 2025 (hierna: het rapport) van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) overgelegd. De reclassering adviseert de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling te verlengen met één jaar omdat nog niet alle voorwaarden volledig zijn afgerond. De behandelverplichting is nog niet structureel van de grond gekomen door de afwezigheid van de veroordeelde bij diverse sessies. De recidivekans wordt ingeschat als gemiddeld. Voortzetting van het toezicht is noodzakelijk om de ingezette behandeling te kunnen continueren, het recidiverisico te verminderen en de veroordeelde te ondersteunen bij het verkrijgen van meer inzicht in zijn eigen handelen. Ook is de veroordeelde tijdens het toezicht meerdere keren in beeld gekomen bij justitie. De reclassering adviseert om de nu geldende gedragsinterventie om te laten zetten in een behandeling bij FamilySupporters. Gedurende het toezicht is deze behandeling al ingezet op verzoek van de veroordeelde zelf en omdat deze interventie beter aansluit bij de problematiek van de veroordeelde.
1.4.
Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2025. De officier van justitie mr. H.A. van Wijk, de veroordeelde en de raadsman zijn gehoord.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot verlenging van de proeftijd met 365 dagen en heeft daarbij het advies van de reclassering in aanmerking genomen.
De raadsman heeft primair verzocht de vordering tot verlenging van de proeftijd af te wijzen nu de noodzaak tot verlenging ontbreekt en deze verlenging disproportioneel is. Subsidiair verzoekt de raadsman de proeftijd te verlengen met vier maanden, aangezien een concrete motivering ontbreekt waaruit blijkt dat een verlenging van de proeftijd met 365 dagen noodzakelijk zou zijn.

2.Beoordeling

De rechtbank is – mede gelet op het advies van de reclassering – van oordeel dat het noodzakelijk en proportioneel is om de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling te verlengen met 365 dagen. In de eerste plaats is de verdachte recent met politie en justitie in aanraking geweest en voor een strafbaar feit veroordeeld. Daarnaast is de verlenging nodig om de ingezette behandeling (bij FamilySupporters) te continueren en de veroordeelde te ondersteunen bij het verkrijgen van meer inzicht in zijn eigen handelen. Hierdoor kan het recidiverisico worden beperkt.

3.Beslissing

De rechtbank:
wijst de vordering toe en
verlengt de proeftijd met 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.
Deze beslissing is genomen door:
mr. H. van den Heuvel, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en N. Stolk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 december 2025.
De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.