Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Procesverloop
2.Beoordeling
3.Beslissing
verlengt de proeftijd met 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.
Rechtbank Rotterdam
De veroordeelde werd op 10 juni 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan hij op 18 januari 2025 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld met een proeftijd van 365 dagen. De officier van justitie verzocht op 8 december 2025 om verlenging van deze proeftijd met nog eens 365 dagen, onderbouwd met een rapport van de reclassering.
De reclassering adviseerde verlenging omdat de behandelverplichting nog niet structureel was opgepakt door de veroordeelde, die meerdere keren in aanraking kwam met justitie tijdens de proeftijd. De recidivekans werd ingeschat als gemiddeld en voortzetting van toezicht en behandeling noodzakelijk geacht om het recidiverisico te beperken.
Tijdens de terechtzitting op 16 december 2025 werd de vordering besproken. De raadsman betoogde dat verlenging disproportioneel was en vroeg subsidiair om een kortere verlenging van vier maanden. De rechtbank oordeelde echter dat verlenging met 365 dagen noodzakelijk en proportioneel is om de behandeling voort te zetten en de veroordeelde te ondersteunen bij gedragsinzicht.
De rechtbank wees de vordering toe en verlengde de proeftijd met 365 dagen. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam en uitgesproken op 16 december 2025.
Uitkomst: De rechtbank verlengt de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 365 dagen wegens onvoldoende afronding van behandeling en recidiverisico.