In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 4 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, geboren in 1996, die beschuldigd werd van het opzettelijk vervoeren van 3-CMC en het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine. De tenlastelegging omvatte twee hoofdpunten: het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 3-CMC en het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine. De verdachte werd op 14 juli 2025 in Ridderkerk aangehouden, waar bij een controle in zijn voertuig grote hoeveelheden 3-CMC en ketamine werden aangetroffen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de (verlengde) uitvoer van 3-CMC, maar dat de uitvoer van ketamine niet bewezen kon worden, omdat de verdachte Nederland nog niet had verlaten. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en verbond hieraan bijzondere voorwaarden om de kans op herhaling te verkleinen. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact van de handel in drugs, en dat de verdachte niet de opdrachtgever was, maar wel bijdroeg aan de illegale handel.