In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting. De tenlastelegging omvatte het indienen van onjuiste aangiften over de jaren 2017 tot en met 2020, waarbij de verdachte opzettelijk een te laag belastbaar bedrag heeft opgegeven. De officier van justitie eiste een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte het feit heeft bekend en dat er geen vrijspraak is bepleit. De rechtbank oordeelde dat de verdachte het belastingsysteem heeft ondermijnd door meermalen onjuiste aangiften in te dienen, wat heeft geleid tot benadeling van de overheid en de samenleving. De verdachte heeft echter ook positieve stappen ondernomen om herhaling te voorkomen, zoals het volgen van een behandeling en het inschakelen van een extern bureau voor zijn boekhouding. Gezien de omstandigheden, waaronder de schending van de redelijke termijn, heeft de rechtbank de taakstraf verlaagd naar 100 uur en de voorwaardelijke gevangenisstraf naar 3 maanden, met een proeftijd van 1 jaar. De rechtbank heeft ook besloten tot teruggave van in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte.