ECLI:NL:RBROT:2025:15503

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
83-179133-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk niet indienen van belastingaangiften met toepassing van het AAFD-protocol

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het opzettelijk niet indienen van belastingaangiften voor de jaren 2020 en 2021. De officier van justitie was ontvankelijk in de vervolging, ondanks verweer van de verdediging dat de officier niet-ontvankelijk zou zijn op basis van het AAFD-protocol. De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie op basis van het benadelingsbedrag van meer dan € 100.000 terecht de zaak had aangemeld voor strafrechtelijke afdoening. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank weegt in haar oordeel mee dat de verdachte al eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld en dat het niet indienen van belastingaangiften het vertrouwen in het belastingstelsel aantast. De rechtbank houdt echter ook rekening met de leeftijd en gezondheidsproblemen van de verdachte, wat strafmatigend werkt. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Rotterdam, waarbij de samenstelling van de rechtbank bestond uit mr. L. Daum als voorzitter en mrs. R.H. Kroon en M. Bakhuis als rechters.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 83-179133-23
Datum uitspraak: 23 december 2025
Datum zitting: 9 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1953 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaten van de verdachte: mrs. R. Malewicz, B.W. van Beek en Y.E.J. Geradts
Officier van justitie: mr. R.P. Zwarts

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij opzettelijk geen belastingaangiften heeft gedaan. De volledige tenlastelegging houdt in dat:
hij op of omstreeks 1 januari 2021 tot en met 27 september 2023 te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 2020 en/of 2021, niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Apeldoorn gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

2.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging omdat niet is voldaan aan de criteria van het AAFD-protocol. [1] Dit protocol regelt wanneer een zaak wordt aangemeld voor strafrechtelijke afdoening en wanneer de zaak door middel van een bestuurlijke boete afgedaan kan worden. Dit is onder meer afhankelijk van de aanwezigheid van vermoedelijk opzettelijk handelen in relatie tot het nadeelbedrag. In paragraaf 2.1 zijn de aanmeldcriteria vermeld:
  • bij een nadeelbedrag van € 100.000 of meer, wordt de zaak aangemeld voor mogelijke strafrechtelijke afhandeling als sprake is van een vermoeden van opzet;
  • bedraagt het nadeel minder dan € 100.000, dan wordt de zaak voor mogelijke strafrechtelijke afhandeling aangemeld als sprake is van een vermoeden van opzet en als een of meer van de aanvullende wegingscriteria daartoe aanleiding geven.
De officier van justitie is op basis van het strafdossier begrijpelijkerwijs uitgegaan van een benadelingsbedrag dat hoger is dan € 100.000, zodat voldaan is aan de criteria voor aanmelding voor mogelijke strafrechtelijke afhandeling als bedoeld in het AAFD-protocol.
Het verweer van de verdediging dat sprake moet zijn van aanvullende wegingscriteria bij een benadelingsbedrag van € 100.000 of meer gaat uit van een onjuiste lezing van het AAFD-protocolen wordt daarom verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

3.Bewijs

3.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld
3.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte opzettelijk geen aangiften inkomstenbelasting heeft ingediend over 2020 en 2021. De volledige bewezenverklaring houdt in dat:
hij van 1 januari 2021 tot en met 27 september 2023 te Apeldoorn, opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2020 en 2021, niet heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [2] en de onderstaande bewijsmotivering.
3.3.2.
Bewijsmiddelen
1.
Verklaring van de verdachte [3]
Het klopt dat ik geen aangiften inkomstenbelasting over 2020 en 2021 heb ingediend.
2.
Proces-verbaal van de FIOD, verklaring getuige [4]
[verdachte] doet geen aangifte. Hij heeft geprobeerd de aangiften inkomstenbelasting 2020 en 2021 met de Belastingdienst te regelen, maar dat is op niets uitgelopen. [verdachte] doet al jarenlang geen aangifte inkomstenbelasting. Daarom worden ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting opgelegd, waartegen [verdachte] bezwaar maakt. [verdachte] is steeds uitgenodigd voor een hoorgesprek. Het is nooit tot een hoorgesprek gekomen. [verdachte] is vanwege het niet indienen van aangiften inkomstenbelasting voor de Belastingdienst geen compliante belastingplichtige en krijgt daarom geen uitstel voor het indienen van zijn aangiften inkomstenbelasting 2020 en 2021.
3.3.3.
Bewijsmotivering
Vast is komen te staan dat de verdachte geen aangiften inkomstenbelasting heeft ingediend over 2020 en 2021.
Opzet
De verdachte wist dat hij geen aangiften inkomstenbelasting had ingediend. Daarmee is het opzet gegeven. Door de verdediging is een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld waardoor het opzet komt te vervallen. Van afwezigheid van alle schuld is pas sprake als het aannemelijk is geworden dat de verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Het is op basis van de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden - verdachte heeft alles binnen zijn vermogen gedaan om aangifte te doen, maar dit wordt hem onmogelijk gemaakt door de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie - niet aannemelijk geworden de verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die dit anders maken. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen.
Strekkingsvereiste
Aan het strekkingsvereiste is voldaan als de gedraging naar haar aard en in het algemeen geschikt is dat er te weinig belasting wordt geheven. Dat criterium is objectief. De door de verdediging geschetste situatie, dat de financiële positie van de verdachte geen of weinig nadeel teweeg kon brengen, is niet relevant. Door te handelen zoals bewezen is verklaard is aan het strekkingsvereiste voldaan. Het verweer wordt verworpen.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
4.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
Gelet op het voortraject en gezien de gezondheidsproblemen van de verdachte is verzocht om geen straf of maatregel op te leggen of om de straf aanzienlijk te matigen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft in 2020 en 2021 opzettelijk geen belastingaangifte gedaan. Het niet doen van belastingaangifte kan tot gevolg hebben dat andere belastingplichtigen meer belasting moeten gaan betalen. Dit consequent niet doen van belastingaangifte tast het vertrouwen in het belastingstelsel aan. Het onbestraft laten kan ertoe leiden dat het normbesef ook onder andere belastingplichtigen vervaagt. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij al jaren geen belastingaangifte doet en dat tot op de dag van vandaag nog steeds niet heeft gedaan. Het had op de weg van de verdachte gelegen in ieder geval inzicht te geven in zijn inkomen en vermogen. Het siert de verdachte ook zeker niet dat hij de schuld volledig bij de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie legt.
Het exacte benadelingsbedrag kan niet worden vastgesteld. In voorgaande jaren zijn ambtshalve vastgestelde aanslagen opgelegd, zo is in 2016 een ambtshalve aanslag opgelegd van € 631.526 en in 2018 bedroeg de ambtshalve aanslag € 668.843. Daarvan uitgaande is het aannemelijk dat het ook voor de jaren 2020 en 2021 om een substantieel benadelingsbedrag gaat.
De verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte wordt daarom in zijn nadeel meegewogen.
De verdachte is al op leeftijd en kampt met gezondheidsproblemen. De rechtbank houdt daar in strafmatigende zin enige rekening mee.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar passend en geboden. Het voorwaardelijk strafdeel heeft als doel de verdachte aan te sporen tot het doen van belastingaangifte en te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Het niet opleggen van een straf of maatregel doet geen recht aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en staat ook niet in verhouding tot straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 9 maanden;
bepaalt dat
6 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat: de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Daum, voorzitter,
en mrs. R.H. Kroon en M. Bakhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 december 2025.
Mr. M. Bakhuis is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen.
2.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] .
3.Verklaard tijdens de zitting van 9 december 2025.
4.P. 174 – 178.