AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onderhuurder mag tussenkomen in ontbindingsprocedure hoofdhuurovereenkomst
In deze zaak vordert Stichting Studenten Huisvesting (SSH) ontbinding van de huurovereenkomst met de hoofdhuurder wegens huurachterstand. De hoofdhuurder is niet verschenen in de procedure. Een onderhuurder, die de woonruimte van de hoofdhuurder huurt, verzoekt om tussenkomst in deze procedure om te voorkomen dat het ontruimingsvonnis tegen haar wordt uitgevoerd.
De onderhuurder beroept zich op artikel 7:269 BWPro, dat bepaalt dat de huurovereenkomst met de onderhuurder wordt voortgezet als de overeenkomst met de hoofdhuurder wordt ontbonden. SSH betwist de rechtsgeldigheid van de onderhuurovereenkomst en stelt dat de onderhuurder zonder recht of titel in het gehuurde verblijft.
De kantonrechter beoordeelt of de onderhuurder voldoende belang heeft om tussen te komen. Gezien het belang om nadelige gevolgen van de uitspraak te voorkomen, wordt de vordering tot tussenkomst toegewezen. De vraag naar de geldigheid van de onderhuurovereenkomst zal in de hoofdzaak worden behandeld.
De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor het nemen van een conclusie door de onderhuurder, waarna SSH daarop kan reageren.
Uitkomst: De vordering tot tussenkomst van de onderhuurder wordt toegewezen en de hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11863836 CV EXPL 25-18862
datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de kantonrechter in het incident ex artikel 217 RvPro
op de vordering van
[eiseres],
woonplaats: Rotterdam,
eiseres in het incident tot tussenkomst,
gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger,
in de zaak van
Stichting Studenten Huisvesting,
vestigingsplaats: Utrecht,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident tot tussenkomst,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder [naam],
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Breda,
gedaagde in de hoofdzaak
die niet in het geding is verschenen.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’, ‘SSH’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1.De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van SSH van 22 augustus 2025, met bijlagen;
het tegen [gedaagde] verleende verstek (artikel 139 RvPro);
de incidentele conclusie met vordering tot tussenkomst van [eiseres], met bijlage;
de rolbeslissing van 10 oktober 2025;
het antwoord in het incident van SSH.
2.De beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
SSH verhuurt woonruimte aan [gedaagde]. SSH vordert in deze procedure ontbinding van de huurovereenkomst, omdat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan. [gedaagde] is niet in de procedure verschenen.
2.2.
[eiseres] stelt dat zij de woonruimte huurt van [gedaagde] en dat SSH op grond van artikel 7:269 BWPro de huur met [eiseres] voortzet als de huurovereenkomst met [gedaagde] wordt ontbonden. [eiseres] wil voorkomen dat het ontruimingsvonnis tegen haar ten uitvoer wordt gelegd en wil in deze procedure daarom zelf een vordering tegen SSH instellen.
2.3.
SSH vindt dat de incidentele vordering tot tussenkomst moet worden afgewezen, omdat de huurovereenkomst die [eiseres] heeft overgelegd niet echt zou (kunnen) zijn en zij daarom zonder recht of titel in het gehuurde verblijft.
[eiseres] mag tussenkomen in de procedure
2.4.
Uit artikel 217 RvPro volgt dat een derde in een procedure tussen twee partijen mag tussenkomen, als die derde voldoende belang heeft bij de gevraagde tussenkomst. Van voldoende belang is sprake als de derde wil tussenkomen om op die manier de voor hem of haar nadelige gevolgen van de uitspraak wil tegengaan. De incidentele vordering kan worden afgewezen als de eisen van een goede procesorde aan toewijzing in de weg staan (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768).
2.5.
Van strijd met de eisen van een goede procesorde is niet gebleken. [eiseres] heeft voldoende toegelicht dat zij belang heeft bij de gevraagde tussenkomst, omdat zij meent aanspraak te kunnen maken op voortzetting van een onderhuurovereenkomst door SSH. Of sprake is van een echte, rechtsgeldige onderhuurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde], is een onderwerp dat in het vervolg van de procedure aan de orde zal kunnen komen. Bij de beoordeling in dit incident is het enkel de vraag of de tussenkomende partij voldoende belang heeft gesteld en dat is het geval. De kantonrechter wijst de incidentele vordering daarom toe.
De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden
2.6.
De beslissing over de proceskosten van dit incident zal worden genomen tegelijk met de beslissing in de hoofdzaak.
Het vervolg in de hoofdzaak
2.7.
De kantonrechter verwijst de hoofdzaak naar de hieronder genoemde rolzitting voor het nemen van een conclusie (van eis) door [eiseres]. SSH mag daarna op die conclusie reageren.
3.De beslissing
De kantonrechter:
in het incident
3.1.
wijst de vordering tot tussenkomst van [eiseres] toe;
in de hoofdzaak
3.2.
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 13 januari 2026 om 11.30 uurvoor het nemen van een conclusie door [eiseres];
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.