ECLI:NL:RBROT:2025:15512

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
11819458 CV EXPL 25-16573
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 lid 1 RvArt. 93 sub a RvArt. 93 sub c RvArt. 94 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident: splitsing procedure tussen eisers tegen weduwe directeur-grootaandeelhouder

In deze civiele procedure zijn twee eisers betrokken die elk verschillende vorderingen hebben ingesteld tegen de weduwe van de overleden directeur-grootaandeelhouder van hun vennootschap. De eerste eiser vordert onder meer de afgifte van eigendommen, schadevergoeding wegens te late afgifte van zaken en betaling van een rekening-courantschuld. De tweede eiser betwist het bestaan van een reële arbeidsovereenkomst met de weduwe en vordert terugbetaling van onterecht doorbetaald salaris.

De weduwe heeft een bevoegdheidsincident opgeworpen, stellende dat de vorderingen van de eerste eiser niet door de kantonrechter behandeld mogen worden omdat deze een bedrag van meer dan € 25.000,- betreffen en geen aardvorderingen zijn. De kantonrechter bevestigt dit en verwijst de zaak van de eerste eiser naar het team handel en haven van de rechtbank. De zaak van de tweede eiser blijft bij de kantonrechter wegens aardvorderingen.

De kantonrechter oordeelt dat er geen zodanige samenhang is tussen de vorderingen van beide eisers dat gezamenlijke behandeling noodzakelijk is. De procedure wordt gesplitst, waarbij de eerste eiser meer griffierecht moet betalen en de weduwe ook griffierecht verschuldigd is voor de procedure bij het team handel en haven. De kosten van het bevoegdheidsincident worden aan de eerste eiser opgelegd. Voor de zaak van de tweede eiser wordt een zitting gepland en verdere beslissingen aangehouden.

Uitkomst: De kantonrechter verwijst de zaak van de eerste eiser naar het team handel en haven en houdt de zaak van de tweede eiser bij de kantonrechter.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11819458 CV EXPL 25-16573
datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de kantonrechter in de incidenten
in de zaak van

1.[eiseres 1],

vestigingsplaats: Rijen (gemeente Gilze en Rijen),
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
gedaagde in het bevoegdheidsincident,
gemachtigde: mr. M. van Gastel,
en

2.[eiseres 2],

vestigingsplaats: Rijen (gemeente Gilze en Rijen),
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
eiseres in het incident als bedoeld in artikel 194 Rv Pro,
gedaagde in het bevoegdheidsincident,
gemachtigde: mr. M. van Gastel,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Maassluis,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident als bedoeld in artikel 194 Rv Pro,
eiseres in het bevoegdheidsincident,
gemachtigde: mr. J.P.A. Hoogstad.
De partijen worden hierna ‘[eiseres 1]’, ‘[eiseres 2]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 7 juni 2025, tevens incidentele vordering als bedoeld in artikel 194 Rv Pro, met bijlagen;
  • het antwoord met eis in reconventie, tevens incidentele vordering in het bevoegdheidsincident en antwoord in het incident als bedoeld in artikel 194 Rv Pro, met bijlagen;
  • het antwoord in het bevoegdheidsincident en het incident als bedoeld in artikel 194 Rv Pro.

2.De beoordeling

Waar gaat de hoofdzaak over?
2.1.
[gedaagde] is de weduwe van [naam]. [naam] was directeur-grootaandeelhouder van [eiseres 1], welke vennootschap de enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres 2] is. In deze procedure hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] verschillende vorderingen tegen [gedaagde] ingesteld.
2.2.
[eiseres 1] vordert afgifte van een aantal zaken die haar eigendom zijn en die [naam] als directeur-grootaandeelhouder in gebruik had. Zij stelt dat die zaken nog in het bezit van [gedaagde] zijn en dat zij weigert die aan [eiseres 1] af te geven. Het gaat om drie mobiele telefoons en een laptop. [eiseres 1] stelt verder dat [gedaagde] een aantal zaken, waaronder twee auto’s, te laat aan Interfluvial heeft afgegeven. [eiseres 1] vordert vergoeding van de schade die zij daardoor heeft geleden, zijnde € 19.367,61. Daarnaast stelt [eiseres 1] dat er tussen haar en [naam] een rekening-courantverhouding bestond op grond waarvan [naam] € 723.516,93 aan [eiseres 1] moest betalen. Volgens [eiseres 1] valt deze schuld van [naam] voor de helft in de nalatenschap en voor de helft in de huwelijksgoederen-gemeenschap die tussen [naam] en [gedaagde] bestond. Daarom vordert zij de helft van dit bedrag, dus € 361.758,47, van [gedaagde].
2.3.
Tussen [eiseres 2] en [gedaagde] heeft – volgens [eiseres 2] alleen op papier – een arbeidsovereenkomst bestaan. Volgens [eiseres 2] was er geen sprake van een reële arbeidsovereenkomst en is na het overlijden van [naam] ten onrechte salaris aan [gedaagde] doorbetaald. Zij vordert terugbetaling van het salaris dat is betaald over de maanden oktober 2023 tot en met maart 2024 van in totaal € 10.512,54 (netto), naast een verklaring voor recht dat geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [gedaagde] en [eiseres 2].
2.4.
[gedaagde] is het niet eens met de vorderingen en voert gemotiveerd verweer. Volgens haar bestaat er nog altijd een arbeidsovereenkomst tussen haar en [eiseres 2]. Zij heeft zich in oktober 2023 ziek gemeld. Vanaf april 2024 heeft zij geen salaris meer ontvangen. Zij vordert daarom in reconventie van [eiseres 2] € 32.515,56 aan achterstallig salaris, € 1.806,24 per maand aan salaris vanaf oktober 2025 en € 16.257,78 aan wettelijke verhoging.
Waar gaan de incidenten over?
2.5.
[eiseres 2] heeft op basis van artikel 194 (en 195 lid 1) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geëist dat [gedaagde] het zogenaamde ‘blauwe boekje’ afgeeft. Het blauwe boekje is een dienstboekje, waarin de vaartijd van bemanningsleden van schepen wordt bijgehouden. Volgens [eiseres 2] moet [gedaagde] over dat boekje beschikken, omdat zij stelt als lichtmatroos te hebben gewerkt.
2.6.
[gedaagde] heeft op haar beurt een bevoegdheidsincident opgeworpen. Zij stelt dat de vorderingen van [eiseres 1] door team handel en haven van de rechtbank moet worden behandeld, omdat die vorderingen een bedrag van € 25.000,- te boven gaan en ze onvoldoende samenhangen met de aardvordering van [eiseres 2].
2.7.
Om praktische redenen beslist de kantonrechter in dit vonnis eerst en alleen over het bevoegdheidsincident.
De kantonrechter is niet bevoegd om over de vorderingen van [eiseres 1] te oordelen
2.8.
De kantonrechter is niet bevoegd om de vorderingen van [eiseres 1] tegen [gedaagde] te behandelen, omdat deze vorderingen een bedrag van € 25.000,- te boven gaan (artikel 93 sub a Rv Pro). Deze zaak wordt verwezen naar team handel en haven van de rechtbank (artikel 71 Rv Pro) en de zaak van [eiseres 2] tegen [gedaagde] blijft in behandeling bij de kantonrechter.
2.9.
Partijen zijn het erover eens dat de vorderingen van [eiseres 2] tegen [gedaagde] aardvorderingen zijn als bedoeld in artikel 93 onder Pro c Rv en daarom door de kantonrechter behandeld moeten worden. In dat geval kan de kantonrechter ook de vorderingen behandelen waarvoor zij niet bevoegd is, maar alleen als de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet (artikel 94 lid 2 Rv Pro).
2.10.
De kantonrechter oordeelt dat hier geen sprake is van een zodanige samenhang tussen vorderingen van [eiseres 1] en die van [eiseres 2], dat die zich tegen een afzonderlijke behandeling verzet. De grondslag voor de vorderingen van [eiseres 1] is een heel andere dan de grondslag voor de vorderingen van [eiseres 2]. De beslissing op de vordering van [eiseres 1] is ook niet van invloed op de beslissing op de vordering van [eiseres 2] of andersom. De enkele omstandigheid dat de vorderingen allemaal indirect voortvloeien uit het overlijden van [naam] levert geen samenhang op die zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
Advocaat verplicht
2.11.
De partijen mogen bij team handel en haven niet zelf procederen. Een advocaat is verplicht (artikel 79 Rv Pro). Daarom verwijst de kantonrechter de zaak van Interfuvial Holding tegen [gedaagde] naar de zitting van woensdag 7 januari 2026. Op die zitting kan een advocaat zich stellen namens iedere partij.
[eiseres 1] moet meer griffierecht betalen
2.12.
Doordat de kantonrechter de zaak van [eiseres 1] verwijst moet voor de procedure bij het team handel en haven griffierecht van € 6.861,- betalen. Dit bedrag moet betaald zijn binnen vier weken na de eerste roldatum bij team handel en haven (artikel 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken). Daarvoor verstuurt het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een factuur aan [eiseres 1]. Het griffierecht dat [eiseres 2] moet betalen voor de procedure bij de kantonrechter zal naar beneden worden bijgesteld naar een bedrag van € 543,-.
[gedaagde] moet nu ook griffierecht betalen
2.13.
Doordat de kantonrechter de zaak van [eiseres 1] verwijst, moet [gedaagde] voor de procedure bij het team handel en haven griffierecht betalen van € 2.723,-. Dat bedrag moet betaald zijn binnen vier weken na de eerste roldatum bij team handel en haven. Daarvoor verstuurt het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een factuur aan [gedaagde].
2.14.
De kantonrechter wijst [gedaagde] erop dat een persoon die een laag inkomen en weinig vermogen heeft, mogelijk minder griffierecht hoeft te betalen. [gedaagde] moet wel zelf aangeven dat zij in aanmerking wil komen voor het lage tarief. Daarbij moet een kopie van een toevoeging of inkomensverklaring van de Raad van de Rechtsbijstand worden meegestuurd. Als die stukken nog niet beschikbaar zijn, moet een kopie van de aanvraag worden meegestuurd (artikel 16 Wgbz Pro).
[eiseres 1] moet de proceskosten in het bevoegdheidsincident betalen
2.15.
[eiseres 1] moet de proceskosten in het bevoegdheidsincident betalen, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 543,- aan salaris voor de gemachtigde. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
In de zaak van [eiseres 2] tegen [gedaagde]
2.16.
In de zaak van Interfluvial tegen [gedaagde] zal zowel in de hoofdzaak als het incident een zitting worden gepland om de zaak met partijen te bespreken.
2.17.
Bij het plannen van de zitting wil de rechtbank zoveel mogelijk rekening houden met de agenda van de partijen. Daarom wordt nu eerst aan de partijen gevraagd de kantonrechter te laten weten op welke ochtenden en/of middagen in de maanden maart tot en met juni 2026 zij niet naar een zitting kunnen komen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In het bevoegdheidsincident:
3.1.
verwijst de zaak tussen [eiseres 1] en [gedaagde] naar de rol van het team handel en haven van woensdag 7 januari 2026 om 10.00 uur, zodat zich namens iedere partij een advocaat kan stellen;
3.2.
draagt de griffier op de processtukken en een kopie van dit vonnis op tijd voor genoemde rolzitting te sturen aan de griffier van het team handel en haven van deze rechtbank;
3.3.
veroordeelt [eiseres 1] in de kosten van dit incident, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 543,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
In de zaak tussen [eiseres 2] en [gedaagde]
3.4.
bepaalt dat de partijen uiterlijk op
woensdag 24 december 2025moeten laten weten op welke ochtenden/middagen in de maanden maart tot en met juni 2026 zij niet naar een zitting kunnen komen;
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
51909