In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 23 december 2025 een beschikking gegeven in een klachtprocedure op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Verzoekster, geboren in 1992, heeft een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke over de toepassing van verplichte zorg, waaronder opname op een gesloten afdeling, toediening van medicatie en separaties. Verzoekster stelt dat de wettelijke eisen van de Wvggz niet zijn nageleefd en dat de beslissingen schadelijk voor haar gezondheid zijn geweest. De rechtbank heeft de klachten over de opname, medicatie en separaties ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat de zorgaanbieder zich voldoende heeft ingespannen om rekening te houden met de wensen van verzoekster en dat de beslissingen om verplichte zorg toe te passen voldeden aan de wettelijke eisen. Het verzoek om schadevergoeding, zowel materieel als immaterieel, is afgewezen. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard ten aanzien van klachten over de bejegening en contactmomenten tijdens de separaties. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.