ECLI:NL:RBROT:2025:15534

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/10/707930 / FA RK 25-7580
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klachtprocedure en schadevergoedingsverzoek in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 23 december 2025 een beschikking gegeven in een klachtprocedure op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Verzoekster, geboren in 1992, heeft een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke over de toepassing van verplichte zorg, waaronder opname op een gesloten afdeling, toediening van medicatie en separaties. Verzoekster stelt dat de wettelijke eisen van de Wvggz niet zijn nageleefd en dat de beslissingen schadelijk voor haar gezondheid zijn geweest. De rechtbank heeft de klachten over de opname, medicatie en separaties ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat de zorgaanbieder zich voldoende heeft ingespannen om rekening te houden met de wensen van verzoekster en dat de beslissingen om verplichte zorg toe te passen voldeden aan de wettelijke eisen. Het verzoek om schadevergoeding, zowel materieel als immaterieel, is afgewezen. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard ten aanzien van klachten over de bejegening en contactmomenten tijdens de separaties. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/707930 / FA RK 25-7580
Beschikking van 23 december 2025 betreffende een klacht als bedoeld in artikel 10:7 lid 1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) tevens houdende de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:11 lid 2 Wvggz
op verzoek van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1992, [geboorteplaats] ,
hierna: verzoekster,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. L.M. Deiman te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
  • zorgaanbieder [naam instelling] te [plaatsnaam] (hierna: zorgaanbieder); en
  • de zorgverantwoordelijke van verzoekster, [naam 1] , psychiater (hierna: zorgverantwoordelijke).

1.Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van verzoekster met bijlagen, ingekomen op 6 oktober 2025; en
  • het verweerschrift van de zorgaanbieder met bijlagen, ingekomen op 5 november 2025.
1.2.
Op 18 november 2025 zijn namens verzoekster aanvullende producties bij de rechtbank ingediend.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 19 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • verzoekster met haar hiervoor genoemde advocaat;
  • de moeder van verzoekster;
  • [naam 2] , jurist, [naam 1] , psychiater en zorgverantwoordelijke, en [naam 3] , arts, allen verbonden aan de zorgaanbieder.
1.4.
De mondelinge behandeling is op enig moment geschorst om de zorgaanbieder in de gelegenheid te stellen om de aanvullende producties als bedoeld in rechtsoverweging 1.2. te lezen, nu deze niet aan de zorgaanbieder waren toegezonden.
1.5.
De rechtbank heeft ambtshalve kennisgenomen van de beschikking van deze rechtbank van 25 juli 2025 met betrekking tot het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van verzoekster en de beschikking van deze rechtbank van 4 september 2025 met betrekking tot het verzoek om een zorgmachtiging aansluitend op een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van verzoekster af te geven.

2.Feiten

2.1.
Bij beschikking van 21 juli 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Capelle aan den IJssel ten aanzien van verzoekster een crisismaatregel genomen.
2.2.
Op 21 juli 2025 heeft de zorgverantwoordelijke besloten tot het verlenen van de volgende vormen van verplichte zorg door middel van een artikel 8:9 Wvggz beslissing: het toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid, het opnemen in een accommodatie en het insluiten.
2.3.
Verzoekster is bij opname op 21 juli 2025 ingesloten en is op 22 juli 2025 gemobiliseerd naar de afdeling.
2.4.
Bij voornoemde beschikking van 25 juli 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van
verzoekster tot en met 15 augustus 2025 een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend, waarin de volgende vormen van verplichte zorg zijn opgenomen:
  • het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles, ter behandeling van een psychische stoornis;
  • het beperken van de bewegingsvrijheid;
  • het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
  • het opnemen in een accommodatie.
2.5.
Op 25 juli 2025 heeft de zorgverantwoordelijke besloten tot het verlenen van de volgende vormen van verplichte zorg door middel van een artikel 8:9 Wvggz beslissing: het toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid, en het opnemen in een accommodatie.
2.6.
Op 29 juli 2025 heeft de zorgverantwoordelijke verzoekster in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van tijdelijk verplichte zorg in de vorm van insluiten. Daarvoor heeft de zorgaanbieder een artikel 8:12 Wvggz-brief aan klaagster overhandigd. Op dezelfde dag is verzoekster weer gemobiliseerd naar de afdeling.
2.7.
Verzoekster heeft op 18 augustus 2025 klachten vergezeld van een schadevergoedingsverzoek ingediend bij de Klachtencommissie patiënten Parnassia Groep (hierna: de klachtencommissie) tegen de beslissingen van de zorgverantwoordelijke om verplichte zorg te gaan verlenen. Deze klachten zagen op het standpunt van verzoekster dat er geen noodzaak was voor verplichte zorg was alsmede dat er geen noodzaak was tot de verplichte opname (op een gesloten afdeling), het toedienen van medicatie, het insluiten en zag op het kwijtraken van spullen tijdens de opname.
2.8.
De klachtencommissie heeft op 28 augustus 2025 de beslissing op de klachten van verzoekster zowel telefonisch als per verkorte uitspraak aan betrokkenen meegedeeld, en op 5 september 2025 is de schriftelijke beslissing vastgesteld en aan betrokkenen verzonden. De klachtencommissie heeft alle klachten van verzoekster ongegrond verklaard.
2.9.
Bij voornoemde beschikking van 4 september 2025 heeft deze rechtbank het verzoek voor een zorgmachtiging in aansluiting op een voortzetting crisismaatregel ten aanzien van verzoekster afgewezen.
2.10.
Verzoekster is op 9 september 2025 met ontslag gegaan.

3.Verzoek en verweer

3.1.
Verzoekster verzoekt de klachten over de verplichte opname (op een gesloten afdeling), het toedienen van medicatie, en het insluiten alsnog gegrond te verklaren en de uitspraak van de klachtencommissie voor zover deze ziet op het ongegrond verklaren van die klachten te vernietigen. De overige klachten kunnen volgens verzoekster door de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten.
3.1.1.
Verzoekster stelt dat bij het nemen van de beslissingen om verplichte zorg toe te passen niet of niet voldoende is voldaan aan de wettelijke eisen van de Wvggz, in het bijzonder het gestelde in de artikelen 3:4 en 2:1 Wvggz. Ook stelt verzoekster dat niet of onvoldoende is voldaan aan de eisen van artikel 8:9 lid 1 Wvggz, aangezien onvoldoende overleg is gevoerd met verzoekster over de voorgenomen beslissing tot het verlenen van verplichte zorg.
3.1.2.
Kort weergegeven, stelt verzoekster dat de opname op de gesloten afdeling schadelijk is geweest voor haar gezondheid. Zij heeft steeds te kennen gegeven dat het voor haar herstel beter zou zijn als zij thuis ambulante zorg zou krijgen, met hulp van haar moeder.
Verzoekster stelt voorts dat zij zich tijdens de opname niet veilig voelde op de afdeling en dit herhaald heeft kenbaar gemaakt aan het personeel. Zij heeft verteld bedreigd te zijn door medepatiënten met een mes. Na dit incident heeft het nog enkele dagen geduurd voordat verzoekster is overgeplaatst naar een andere afdeling. Dit heeft volgens verzoekster te lang geduurd, waardoor haar veiligheid in het geding was.
Verzoekster stelt ook dat zij tot op heden last heeft van de gevolgen van het toedienen van de medicatie in de vorm van Haldol en Quetapine. Zij stelt dat de toediening van Haldol niet nodig is geweest. Na het toedienen van Haldol ervoer verzoekster ongewenste zware bijwerkingen. Wanneer zij dit middel weigerde, werd zij op intimiderende wijze bedreigd met een injectie en separatie. De tweede separatie op 29 juli 2025 was het gevolg van het feit dat verzoekster al twee dagen om een gesprek met de psychiater had gevraagd, omdat zij ernstige bijwerkingen ervoer van de Haldol. Zij voelde zich niet serieus genomen. Zou er eerder naar verzoeksters bezwaren zijn geluisterd, dan zouden separatie en intramusculaire toediening van medicatie onnodig zijn geweest.
Verzoekster meent bovendien onnodig een te hoge dosis aan dwangmedicatie, vooral Quetapine, te hebben gekregen. Van Quetapine kreeg verzoekster 900 mg dwangmatig toegediend, terwijl zij eerder slechts 50 mg standaard voor het slapen slikte. Zij is dit middel geleidelijk aan het afbouwen en dit geeft haar veel bijwerkingen en klachten.
3.1.3.
Daarnaast stelt verzoekster dat zij sinds de opname veel angst, wantrouwen en herbelevingen van de gebeurtenissen in de kliniek ervaart. Dit beperkt haar in haar werk als fotograaf, haar sociale contacten en persoonlijke ontwikkeling. Verzoekster stelt zowel materiële als immateriële schade te hebben opgelopen.
In verband met de immateriële schade verzoekt zij de rechtbank haar een redelijke schadevergoeding toe te kennen bestaande uit € 100,- per dag voor de opname op de gesloten afdeling, € 50,- per dag voor het toedienen van depotmedicatie en de hoge dosering Quetapine en € 50,- per dag voor de separatie en het onvoldoende toezicht tijdens separatie.
In verband met de materiële schade verzoekt verzoekster de zorgaanbieder te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van ruim € 10.000,-. De materiële schade als gevolg van de toegepaste verplichte zorg bestaat volgens verzoekster uit het mislopen van inkomsten door kwijtraken van haar functie als beeldredacteur, inkomensverlies, reputatieschade en het mislopen van opdrachten en kansen.
Ook stelt verzoekster als gevolg van de opname trauma’s te hebben opgelopen en verzoekt de rechtbank om de zorgaanbieder te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding voor de kosten van een trauma-behandeling.
3.1.4.
Tot slot stelt verzoekster tijdens de mondelinge behandeling dat het moeilijk was om de aanvullende producties als bedoeld in rechtsoverweging 1.2. te verzamelen en in het juiste format in het digitale portaal van de rechtbank in te dienen. Zij verzoekt de rechtbank deze producties te betrekken bij haar beslissing.
3.2.
De zorgaanbieder stelt dat de rechtbank onbevoegd is om te oordelen over de klachten waarop de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (verder: Wkkgz) van toepassing is, in het bijzonder de klachten die zien op overplaatsing van [opnames] , de bejegening van medewerkers tijdens het toedienen van medicatie en de contactmomenten tijdens de separaties.
3.2.1.
De zorgaanbieder stelt voorts dat de klachten met betrekking tot de Wvggz ongegrond zijn en dat het verzoek tot schadevergoeding, voor zowel de immateriële als de materiële schade, moet worden afgewezen.
3.2.2.
De beslissingen om verplichte zorg toe te passen voldeden volgens de zorgaanbieder aan de wettelijke eisen.
3.2.3.
Met betrekking tot de verzochte schadevergoeding stelt de zorgaanbieder primair dat er geen grond bestaat voor schadevergoeding, mede omdat de schadevergoedingsverzoeken voor inkomstenderving en traumabehandeling alsmede het causale verband tussen deze gestelde schades en de toegepaste verplichte zorg onvoldoende onderbouwd zijn en subsidiair dat voor de vaststelling van een eventuele schadevergoeding moet worden aangesloten bij de Oriëntatiepunten schadevergoeding in verplichte zorgzaken (LOVF, juli 2024). .
3.2.4.
Tot slot voert de zorgaanbieder verweer op het in de procedure betrekken van de aanvullende producties als bedoeld in rechtsoverweging 1.2. die pas tijdens de mondeling behandeling ter kennis van de zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke zijn gebracht. Volgens de zorgaanbieder gaat het om een forse aanspraak op schadevergoeding en kan de zorgaanbieder, mede gelet op de omvang van die producties, niet binnen enkele minuten de relevantie daarvan beoordelen. Daarbij heeft verzoekster ruim de tijd gehad om eerder aanvullende producties in te dienen, omdat de mondelinge behandeling op verzoek van partijen eerder is uitgesteld.

4.Beoordeling

Aanvullende producties
De aanvullende producties als bedoeld in rechtsoverweging 1.2. zijn niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling naar de zorgaanbieder gestuurd, waardoor deze aanbieder voorafgaand aan de zitting geen kennis heeft kunnen nemen van deze stukken. Deze producties dateren alle van voor 18 oktober 2025 en hadden dus veel eerder zowel aan de rechtbank als aan de zorgaanbieder kunnen worden aangeboden. Dat deze stukken pas ter zitting zijn aangeboden aan de zorgaanbieder acht de rechtbank, mede gelet op hun aard en omvang, in strijd met de eisen van een goede procesorde. e De rechtbank laat deze producties daarom buiten beschouwing.
Bevoegdheid en ontvankelijkheid
4.1.
Op grond van artikel 10:7 Wvggz kan een betrokkene, binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan de verzoekster is meegedeeld, een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klachten. Omdat het verzoekschrift op 6 oktober 2025 door de rechtbank is ontvangen, is het verzoekschrift tijdig ingediend.
4.2.
Verzoekster verlangt geen beslissing van de rechtbank over de klachten van verzoekster over de noodzaak voor verplichte zorg en het kwijtraken van spullen tijdens de opname. Gelet op Hoge Raad Hoge Raad 7 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:825) en het feit dat de zorgaanbieder noch in haar verweerschrift noch tijdens de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven dat zij hierover wel een beslissing van de rechtbank verlangt, zal de rechtbank alleen een beslissing nemen over de klachten genoemd in rechtsoverweging 3.1, de beslissing van de klachtencommissie over de overige klachten eerbiedigen en daarmee bij haar beslissing rekening houden.
4.3.
Een betrokkene kan niet voor elke klacht een verzoekschrift bij de rechtbank indienen. Dat kan alleen voor klachten die vallen onder de reikwijdte van de Wvggz. Artikel 10:3 Wvggz bevat een limitatieve opsomming van de gronden waarop in het kader van een klachtprocedure zoals geregeld in hoofdstuk 10 van de Wvggz kan worden geklaagd. De rechtbank is met de zorgaanbieder van oordeel dat de klachten die betrekking hebben op de bejegening en contactmomenten tijdens de separatiemomenten geen betrekking hebben op de nakoming van een verplichting of beslissing op grond van een of meer van de in de artikel 10:3 Wvggz genoemde bepalingen. Om die reden zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om deze klachten te beoordelen.
4.4.
De klacht die betrekking heeft op het niet overplaatsen van verzoekster tijdens de opname heeft naar het oordeel van de rechtbank wel betrekking op de nakoming van een verplichting of beslissing op grond van een of meer van de in de artikel 10:3 Wvggz genoemde bepalingen. De rechtbank begrijpt de klacht namelijk zo dat verzoekster stelt dat de beslissing om de opname voort te laten duren niet heeft voldaan aan het uitgangspunt van veiligheid. De rechtbank zal zich dan ook bevoegd verklaren om deze klacht te beoordelen.
4.5.
Voor het overige verklaart de rechtbank verzoekster ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de overige klachten.
Klacht opname
4.6.
Het betoog van verzoekster dat de beslissing om verzoekster op te nemen en deze opname te laten voortduren niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, alsmede de doelmatigheid en veiligheid, volgt de rechtbank niet.
4.7.
Verzoekster is op 21 juli 2025 opgenomen met een crisismaatregel in verband met een psychose. Verzoekster was achterdochtig en er was sprake van betrekkingswanen, paranoïde wanen en grootheidsideeën. Voorafgaand aan de opname verbleef verzoekster bij haar moeder, die nog geprobeerd heeft hulp te zoeken bij de huisarts en ambulant behandelaren. De rechtbank betreurt dat dit niet is gelukt, maar oordeelt dat dit niet afdoet aan de beslissing om verzoekster op te nemen. Een samenwerking in de ambulante setting, zoals verzoekster dat graag had gezien, was vanwege het toestandsbeeld van verzoekster op dat moment niet meer mogelijk. De rechtbank heeft er begrip voor dat verzoekster de opname als zwaar heeft ervaren, maar dit betekent niet dat de opname niet in verhouding stond tot het doel van de opname, namelijk dat het weer goed met verzoekster zou gaan. Het toestandsbeeld van verzoekster is volgens de psychiater mede als gevolg van de opname ook verbeterd hetgeen uiteindelijk tot ontslag heeft geleid, waardoor de rechtbank ook geen aanleiding heeft om aan te nemen dat de opname niet doelmatig is geweest
4.8.
Ten aanzien van het standpunt van verzoekster over de veiligheid tijdens de opname overweegt de rechtbank als volgt.
Voor zover het gevoel van onveiligheid van verzoekster samen hing met de bejegening door het zorgpersoneel zal de rechtbank zich, zoals eerder in 4.3 uiteengezet, onbevoegd verklaren.
Tijdens de mondelinge behandeling is het mes-incident besproken. Gebleken is dat het mes- incident heeft plaatsgevonden in de gezamenlijke ruimte van de afdeling. De psychiater heeft toegelicht dat het ging om een discussie tussen verzoekster en twee medepatiënten, waarbij door één van hen is gezwaaid met een broodsmeermes. Het aanwezige zorgpersoneel heeft de discussie afgebroken en verzoekster kort apart genomen, maar verder is dit voorval door de instelling niet aangemerkt als een dreigend incident. Nadat verzoekster de dagen erna bleef aangeven een onveilig gevoel te hebben, is besloten om verzoekster alsnog over te plaatsen naar een andere afdeling.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat deze handelswijze getuigt van een onjuiste inschatting van de situatie. Verzoekster heeft niet kunnen duiden waardoor zij niet veilig was op de afdeling. Bij navraag van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat geen sprake is geweest van concrete verbale of fysieke dreigementen; er is niets gezegd of gedaan. Gebleken is dat het gevoel van angst bij verzoekster kwam door de aanwezigheid van deze patiënten op de afdeling. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat verzoekster zelf het gevoel heeft gehad niet veilig te zijn, kan niet uitgesloten worden dat dit gevoel deel heeft uitgemaakt van het toestandsbeeld van verzoekster. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat het laten voortduren van de opname in strijd was met het uitgangspunt van veiligheid.
Klacht toedienen medicatie
4.9.
Zoals de zorgaanbieder heeft aangevoerd, zal de rechtbank zich terughoudend opstellen bij het beoordelen van de klacht over het toedienen van medicatie. De keuze voor het type medicatie en de dosering is in beginsel een geneeskundig oordeel. De wettelijke criteria bieden echter wel een algemeen kader waaraan de rechter het verplicht toedienen van een bepaald type medicatie kan toetsen. Hierdoor wordt de rechtsbescherming van verzoekster in al de aspecten van haar behandeling gegarandeerd.
4.10.
Het betoog van verzoekster dat de beslissing om medicatie toe te dienen niet is voldaan aan de uitgangspunten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid, volgt de rechtbank niet. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat op het moment van opname er aanwijzingen waren die duidden op een acute psychiatrische stoornis waaruit op dat moment ernstig nadeel voortvloeide. Medicatie werd daarom noodzakelijk geacht. Verzoekster verzette zich meermaals tegen het innemen van de medicatie, waardoor het noodzakelijk was de medicatie te geven in een verplicht kader. Een gesprek over de medicatie was, anders dan verzoekster zelf heeft aangevoerd, op deze momenten niet mogelijk. Na het toedienen van de Haldol heeft verzoekster aan een verpleegkundige verteld dat zij de voorkeur gaf aan Quetapine. In een daaropvolgend gesprek kon verzoekster zich deze wens niet meer herinneren, maar niettemin is door de psychiater besloten hierop over te gaan. De psychiater licht tijdens de mondelinge behandeling toe dat zowel de Haldol als de Quetapine een positief effect hadden op het toestandsbeeld van verzoekster. Zij stabiliseerde, waarna separatie en intramusculaire medicatie niet meer nodig waren tijdens de verdere duur van de opname.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat de zorgaanbieder zich voldoende heeft ingespannen om rekening te houden met de wensen en voorkeuren van verzoekster. Zo is rekening gehouden met het feit dat verzoekster geen Haldol wilde innemen en zijn vanwege de bijwerkingen aanpassingen gedaan. Het toedienen van de Haldol is in eerste instantie noodzakelijk geweest vanwege het toestandsbeeld. Verzoekster was op dat moment niet in staat haar bezwaren tegen Haldol te maken. Op het moment dat zij dat wel kon, is door de psychiater overgegaan op een ander middel.
4.12.
Het is daarnaast voldoende gebleken dat de dosis Quetapine geen gevaarlijke of ongebruikelijke hoeveelheid was. De psychiater heeft toegelicht dat het een standaarddosering betreft bij psychotische decompensaties en dit is door verzoekster niet weersproken. De klachten die verzoekster momenteel nog ervaart, zijn volgens de psychiater het gevolg van het doormaken van een psychose, waar het lichaam van moet herstellen. De enkele stelling van verzoekster dat de dosering wel gevaarlijk of ongebruikelijk is, zonder nadere medische onderbouwing, is onvoldoende.
4.13.
De rechtbank acht dan ook niet, althans onvoldoende onderbouwd dat bij de beslissing om medicatie toe te dienen niet is voldaan aan de uitgangspunten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.
Klacht separaties
4.14.
Gelet op hetgeen is rechtsoverweging 4.3. is overwogen kan de rechtbank enkel beoordelen of de separaties in strijd zijn geweest met de algemene uitgangspunten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Het betoog van verzoekster dat bij de beslissingen om verzoekster in te sluiten niet is voldaan aan deze uitgangspunten, volgt de rechtbank niet.
Uit het verweerschrift van de zorgaanbieder en de verklaringen de zorgverantwoordelijke tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat er sprake was van een toestandsbeeld waarbij zodanig ernstig nadeel voor verzoekster dreigde, dat er geen andere mogelijkheden waren om dit nadeel af te wenden. Zo is verzoekster op 21 juli 2025 ingesloten omdat zij agressief gedrag vertoonde. Op 29 juli 2025 was verzoekster verward en aan het gillen op de afdeling. Toen haar medicatie werd aangeboden, heeft zij dit met water in het gezicht van een medewerker gespuugd. Verzoekster heeft zich vervolgens hevig verzet door te schreeuwen, schoppen, bijten en spugen. Zodra de medicatie was ingewerkt en verzoekster gekalmeerd was, is verzoekster weer gemobiliseerd naar de afdeling. Beide separaties waren van korte duur. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij het insluiten van verzoekster is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.
4.15.
Concluderend zal de rechtbank de klachten over de opname, de medicatie en de separaties van verzoekster ongegrond verklaren.
Schadevergoeding
4.16.
Omdat de door verzoekster ingediende klachten ongegrond worden verklaard, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van de verzochte schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om een schadevergoeding dan ook af.
Proceskosten
4.17.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

5.Beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de klachten over de bejegening en contactmomenten tijdens de separaties;
5.2.
verklaart de overige klachten van verzoekster ongegrond;
5.3.
wijst af het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding;
5.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Z.P. van der Knaap, griffier, op 23 december 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.