ECLI:NL:RBROT:2025:15611

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/10/698066 / JE RK 25-768
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De kinderrechter van de rechtbank Rotterdam heeft op 22 december 2025 besloten de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen tot 1 juli 2026. Deze beslissing volgt op een eerdere beschikking van 24 juni 2025 waarbij de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing reeds waren verlengd.

De gecertificeerde instelling (GI) Leger des Heils Jeugdbescherming verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de resterende zes maanden van een jaar. De GI lichtte toe dat een thuisplaatsing op dit moment niet mogelijk is omdat de moeder nog niet voldoende is gestabiliseerd en de minderjarige nog geen passende, structurele dagbesteding heeft. De minderjarige geeft de voorkeur aan dagbesteding bij DUCE, maar de systeemaanbieder Prokino weigert DUCE te contracteren en biedt alternatieven die niet aansluiten bij de wensen van de minderjarige.

De moeder onderschrijft het verzoek en erkent dat stabilisatie en dagbesteding noodzakelijk zijn voordat een thuisplaatsing kan plaatsvinden. De kinderrechter acht de verlenging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het volgen van de wens van de minderjarige voor dagbesteding bij DUCE wordt als doorslaggevend gezien om zijn ontwikkeling te bevorderen en terugplaatsing naar huis mogelijk te maken.

De kinderrechter benadrukt dat het niet vanzelfsprekend is dat de wens van de minderjarige altijd wordt gevolgd, maar in deze zaak is dat noodzakelijk om vooruitgang te boeken. Daarnaast wordt een praktijkgericht onderwijstraject als passend alternatief of aanvullend traject genoemd om de minderjarige voor te bereiden op zelfstandigheid en deelname aan de maatschappij. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en mondeling uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 1 juli 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/698066 / JE RK 25-768
Datum uitspraak: 22 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 24 juni 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de brieven van de GI van 11 november 2025 en 15 december 2025 met bijlage, ontvangen op respectievelijk 13 november 2025 en 15 december 2025.
1.2.
Op 22 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij Prokino.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 1 juli 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij dezelfde beschikking de machtiging verlengd [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 januari 2026. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek van de GI

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hiervan zijn reeds zes maanden toegewezen. Er dient nog te worden beslist op de resterende zes maanden.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Na de vorige zitting heeft de GI haar koers gewijzigd. In overeenstemming met het advies van het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) zet de GI in op twee hoofddoelen: het realiseren van passende dagbesteding voor [voornaam minderjarige] en het toewerken naar een thuisplaatsing. Een thuisplaatsing is op dit moment nog niet mogelijk. Daarvoor is eerst vereist dat de moeder voldoende stabiliseert en dat [voornaam minderjarige] beschikt over structurele dagbesteding. [voornaam minderjarige] geeft uitdrukkelijk de voorkeur aan dagbesteding bij DUCE, waar hij eerder verbleef. DUCE staat ook open voor een hernieuwde plaatsing. Prokino is als systeemaanbieder verantwoordelijk voor het organiseren en financieren van de dagbesteding. Prokino weigert echter DUCE te contracteren, omdat DUCE volgens Prokino niet aan de gestelde eisen voldoet. De GI deelt deze opvatting niet. Prokino biedt alternatieve dagbesteding aan, maar volgens de GI sluit dit aanbod niet aan bij de wensen en motivatie van [voornaam minderjarige] . Deze motivatie is echter juist essentieel om [voornaam minderjarige] in beweging te krijgen. Alternatief wordt onderzocht of [voornaam minderjarige] (praktijk)onderwijs kan volgen. [voornaam minderjarige] staat hiervoor open, maar zijn duidelijke voorkeur blijft bij de dagbesteding van DUCE.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder sluit zich ter zitting aan bij het verzoek van de GI en licht dit als volgt toe. Hoewel zij het liefst ziet dat [voornaam minderjarige] weer thuis komt wonen, is dat op dit moment niet niet haalbaar. De moeder onderschrijft dat zij eerst verder moet stabiliseren en dat het noodzakelijk is dat [voornaam minderjarige] structurele dagbesteding krijgt.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat een volledige thuisplaatsing op dit moment nog niet haalbaar is. Daarvoor is, zoals de GI naar voren brengt, vereist dat [voornaam minderjarige] beschikt over structurele dagbesteding en dat de moeder verder stabiliseert. Aan beide voorwaarden wordt op dit moment nog niet voldaan. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd.
5.3.
De kinderrechter benadrukt dat het van groot belang is om zo spoedig mogelijk passende dagbesteding voor [voornaam minderjarige] te realiseren. [voornaam minderjarige] heeft al ruime tijd geen dagbesteding, waardoor zijn ontwikkeling stagneert. Gelet op de omstandigheden is het daarbij noodzakelijk om de wensen van [voornaam minderjarige] te volgen voor (grote kans op) een succesvol verloop van en continuïteit in de dagbesteding. [voornaam minderjarige] heeft duidelijk aangegeven dat zijn voorkeur uitgaat naar dagbesteding bij DUCE. Hier kan hij de dingen doen die hij leuk vindt, zoals koken en bakken. Volgens de GI is de dagbesteding van DUCE op dit moment passend voor [voornaam minderjarige] en de kinderrechter acht dit doorslaggevend. De ontwikkeling van [voornaam minderjarige] staat al te lang stil. Bovendien belemmert het ontbreken van een (passende en stabiele) dagbesteding de plaatsing terug naar huis en ook dat is niet in het belang van [voornaam minderjarige] .
5.4.
De kinderrechter beseft dat het niet vanzelfsprekend is dat de wens van een minderjarige altijd (volledig) wordt gevolgd. De omstandigheden in deze zaak, waaronder de persoon van [voornaam minderjarige] , maken echter dat het volgen van de wens van de minderjarige noodzakelijk is om vooruitgang te kunnen bewerkstelligen. Bij een eventuele alternatieve vorm van dagbesteding zal in ieder geval rekening moeten worden gehouden met de draagkracht en motivatie van [voornaam minderjarige] . Ook zal [voornaam minderjarige] moeten worden voorbereid op zelfstandigheid en deelname aan de maatschappij. [voornaam minderjarige] komt steeds dichterbij zijn volwassenheid en moet in de toekomst in staat zijn om, ook financieel, meer op eigen benen te staan. Praktijkgericht onderwijs kan hem daarbij voorbereiden op de arbeidsmarkt. De kinderrechter acht een dergelijk traject daarom een reëel en passend alternatief of aansluitend traject.
5.5.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] . De machtiging tot uithuisplaatsing zal daarom worden verlengd voor de duur van zes maanden.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 12 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.