ECLI:NL:RBROT:2025:15625

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
11562013 CV EXPL 25-4298
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 237 RvArt. 238 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering servicekosten verwarming wegens onvoldoende onderbouwing door verhuurder

F.M.T. Beheer vordert betaling van €3.939,42, bestaande uit een hoofdsom van €3.180,59 aan servicekosten voor verwarming van een kantoorruimte, rente en incassokosten van voormalig huurder [gedaagde]. De verhuurder kon niet aantonen hoe de verwarmingskosten over de huurders werden verdeeld, omdat het gebouw geen afzonderlijke meters heeft en de uitleg hierover niet werd gegeven, ondanks herhaalde verzoeken van de huurder sinds 2023.

De rechtbank oordeelt dat het op de weg van F.M.T. Beheer lag om inzicht te verschaffen in de kostenverdeling en de hoogte van de vordering, wat niet is gebeurd. De verhuurder kon ook niet verklaren waarom het factuurbedrag afwijkt van het gevorderde bedrag. Er is geen bewijsaanbod gedaan om dit te onderbouwen.

Daarom wordt de hoofdsom afgewezen, en daarmee ook de rente en incassokosten. De proceskosten worden aan F.M.T. Beheer opgelegd en begroot op €50. De vordering wordt volledig afgewezen.

Uitkomst: De vordering tot betaling van servicekosten voor verwarming wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan inzicht in kostenverdeling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11562013 CV EXPL 25-4298
datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
F.M.T. Beheer B.V.,die ook handelt onder de naam VPS Nederland,
vestigingsplaats: Den Haag,
eiseres,
gemachtigde: mr. F.J.M. van der Bruggen,
tegen
[gedaagde], die voorheen handelde onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘F.M.T. Beheer’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 24 februari 2025, met bijlagen;
  • het mondelinge antwoord;
  • het aanvullende schriftelijke antwoord, met bijlagen.
1.2.
Op 21 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met
mr. Van der Bruggen voor F.M.T. Beheer en met [gedaagde].

2.De beoordeling

Kern van de zaak
2.1.
F.M.T. Beheer eist [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 3.939,42 aan hoofdsom, rente en buitengerechtelijke incassokosten en daarnaast de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 3.180,59 vanaf de dagvaarding en de proceskosten. [gedaagde] is het hiermee niet eens.
Afwijzing hoofdsom
2.2.
Het geëiste bedrag van € 3.180,59 aan hoofdsom wordt afgewezen. Het bedrag betreft volgens F.M.T. Beheer de afrekening servicekosten 2022 voor de kantoorruimte op de locatie [adres] die [gedaagde] voorheen van haar gehuurd heeft. In het bijzonder gaat het om bij [gedaagde] in rekening gebrachte kosten voor verwarming. De kosten zijn niet vastgesteld op basis van meterstanden, want de verhuurde ruimtes in het gebouw waarin het door [gedaagde] gehuurde zich bevindt zijn niet voorzien van afzonderlijke meters. Het warmteverbruik wordt omgeslagen over de huurders/gebruikers.
2.3.
De wijze waarop het warmtegebruik over de huurders/gebruikers wordt omgeslagen is volgens [gedaagde] niet eerlijk, want de ene huurder verbruikt meer warmte dan de ander. Daarnaast vindt [gedaagde] het bedrag exorbitant hoog.
2.4.
Gelet op dit verweer had het op de weg van F.M.T. Beheer gelegen om onderbouwd inzicht te verschaffen in de hoogte van de kosten van de verwarming van het gebouw en de wijze waarop deze kosten zijn omgeslagen over de huurders/gebruikers, onder wie [gedaagde] [1] . Dat is niet gebeurd. Niet weersproken is dat [gedaagde] al in 2023 om uitleg heeft gevraagd over de afrekening servicekosten 2022 en die ook toen niet gekregen heeft. De gemachtigde van F.M.T. Beheer heeft ter zitting te kennen gegeven niet te beschikken over een stuk waaruit de verdeling van de kosten blijkt en kon de hoogte van de vordering niet verder toelichten. De gemachtigde kon ook niet toelichten waarom het factuurbedrag (productie 3) afwijkt van het gevorderde bedrag. F.M.T. Beheer heeft gelet op het voorgaande onvoldoende (gemotiveerd) feiten gesteld ter onderbouwing van de geëiste hoofdsom. Daarom wordt F.M.T. Beheer ook niet in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren op dit punt. Overigens is ook geen specifiek bewijsaanbod gedaan. Bij deze stand van zaken staat de verschuldigdheid van de hoofdsom niet vast en wordt deze afgewezen.
Afwijzing incassokosten en rente
2.5.
De geëiste incassokosten en rente worden eveneens afgewezen. Omdat de geëiste hoofdsom wordt afgewezen, treft dat lot ook de daarmee samenhangende nevenvorderingen.
Proceskosten
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van F.M.T. Beheer, omdat zij ongelijk krijgt [2] . De kantonrechter begroot de kosten die F.M.T. Beheer aan [gedaagde] moet betalen op € 50,- aan onkosten [3] .

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eisen af;
3.2.
veroordeelt F.M.T. Beheer in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 50,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Ook conform het bepaalde in artikel 18.4 van de toepasselijke Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte
2.artikel 237 Rv Pro
3.artikel 238 lid 1 Rv Pro