In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 13 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van gewoontewitwassen. De verdachte, geboren in 1981, werd ervan beschuldigd gedurende een periode van meer dan acht jaar samen met anderen een totaalbedrag van € 294.000,00 te hebben gewitgewassen. De tenlastelegging omvatte het verbergen van de herkomst van deze geldbedragen, waarvan de verdachte en haar mededaders wisten dat deze afkomstig waren uit misdrijven. Tijdens de zitting zijn procesafspraken gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte, waarbij de verdachte afstand deed van bewijsverweren en een Mercedes Benz A180. De rechtbank was niet betrokken bij deze afspraken, maar heeft wel de vrijwilligheid en bewustheid van de verdachte ten aanzien van deze afspraken vastgesteld. De officier van justitie vorderde een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan het medeplegen van gewoontewitwassen en heeft de straffen opgelegd zoals overeengekomen in de procesafspraken. De rechtbank oordeelde dat de gemaakte afspraken een efficiënte en effectieve afdoening van de zaak bevorderden, en dat de straffen in redelijke verhouding stonden tot de ernst van de zaak. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 240 uur, met de mogelijkheid van vervangende hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd.