ECLI:NL:RBROT:2025:15631

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
10-238450-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van poging tot doodslag en bewezenverklaring van zware mishandeling met Niet Aangeboren Hersenletsel tot gevolg

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van poging tot doodslag en zware mishandeling van zijn toenmalige partner. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de poging tot doodslag, omdat niet kon worden vastgesteld dat hij opzet had op de dood van het slachtoffer. Wel is de verdachte veroordeeld voor zware mishandeling, waarbij het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen, waaronder hersenbloedingen en blijvende klachten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer meermalen heeft mishandeld, wat heeft geleid tot de bewezenverklaring van zware mishandeling. De rechtbank heeft een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer, die aanzienlijke materiële en immateriële schade heeft geleden door de mishandeling. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij de totale schadevergoeding is vastgesteld op € 57.467,-, te vermeerderen met wettelijke rente.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10-238450-24
Datum uitspraak: 24 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de [detentieadres],
raadsman mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 december 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. X.C. van Balen en S.H. Stein hebben gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar met aftrek van voorarrest;
  • oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met betrekking tot het [slachtoffer] en de dadelijke uitvoerbaarheid van die maatregel.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van het [slachtoffer], zijn toenmalige partner, niet alleen door haar tegen het hoofd te slaan en/of te stompen, maar met name door haar met de ceintuur van haar badjas te verwurgen.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] in de periode van een maand voorafgaand aan de hiervoor bedoelde poging tot doodslag.
4.1.2.
Beoordeling
Het onder 1 primair ten laste gelegde houdt het verwijt in dat de verdachte het [slachtoffer], zijn toenmalige partner, heeft getracht van het leven te beroven, door haar op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en door haar de keel dicht te knijpen.
De verdachte heeft verklaard dat hij ruzie met [slachtoffer] heeft gehad en haar enkele klappen met de vlakke hand heeft gegeven, maar zich - mogelijk door gebruik van alcohol - verder niet kan herinneren wat er is gebeurd. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij ruzie met de verdachte heeft gehad en dat hij haar heeft geslagen, maar zij kan zich voor het overige niet veel meer herinneren. Vaststaat dat er bij [slachtoffer] ernstig - in potentie zelfs dodelijk - letsel is ontstaan. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, nu niet gesteld of gebleken is dat er een derde bij de ruzie betrokken is geweest.
De vraag is hoe het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd. De rechtbank kan niet vaststellen dat dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer], in die zin dat verdachte uit was op haar dood. Daarom zal de rechtbank beoordelen of er sprake was van voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood van [slachtoffer] door zijn handelen zou intreden. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Nu zowel de verdachte als [slachtoffer] zich niet kan herinneren wat er is gebeurd en de rechtbank dat ook anderszins niet kan vaststellen, kan de rechtbank evenmin vaststellen of het handelen van de verdachte zozeer was gericht op de dood van [slachtoffer] dat hij de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. De omstandigheid dat de verdachte in potentie dodelijk letsel heeft toegebracht, is daarvoor onvoldoende.
Het onder 2 ten laste gelegde houdt in dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld gedurende de periode van een maand voorafgaand aan het onder 1 ten laste gelegde tot en met het onder 1 ten laste gelegde. Uit het requisitoir en de stellingen van de officier van justitie blijkt dat de opsteller van de tenlastelegging voor ogen heeft gehad mishandeling in de maand voor de onder feit 1 ten laste gelegde poging doodslag ten laste te leggen. De onderliggende stelling is immers dat uit de verklaringen van [slachtoffer] zou blijken dat zij sinds een maand door de verdachte werd geslagen, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] weleens een duw of een tik zou hebben gegeven. De rechtbank stelt in dat kader vast dat [slachtoffer] bij het doen van aangifte heeft verklaard dat de verdachte haar nooit heeft geslagen, maar haar wel heeft geknepen. Aan de verdachte is tijdens een verhoor enkel gevraagd of hij [slachtoffer] vaker heeft mishandeld, waarop de verdachte heeft geantwoord dat hij haar misschien een duw heeft gegeven of haar weleens heeft geknepen en misschien ook wel een tik in haar gezicht heeft gegeven. Hierop is verder niet doorgevraagd. Uit de verklaringen van [slachtoffer] en de verdachte volgt weliswaar dat de verdachte [slachtoffer] eerder zou kunnen hebben mishandeld, maar niet hoe dit zou zijn gebeurd en wanneer dit zou zijn gebeurd. Dit feit kan daarom niet worden bewezen.
4.1.3.
Conclusie
Het onder1 primair en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde
4.2.1.
Standpunt verdediging
Ten aanzien van de mishandeling - al dan niet met zwaar lichamelijk letsel ten gevolgen hebbende - heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte dient evengoed van de ten laste gelegde zware mishandeling te worden vrijgesproken. Zeer fors alcoholgebruik door het slachtoffer heeft mogelijk tot veroorzaking en op zijn minst tot verergering van haar letsels, met name het hersenletsel, geleid. Bij gebrek aan concrete informatie over de ontstaansgeschiedenis van de bij het slachtoffer geconstateerde bloeduitstortingen, inclusief de hersenbloedingen, moet de rol van alcoholmisbruik niet worden uitgevlakt. Dit heeft grote invloed op de vraag naar de toedracht (aard) en de ernst (opzet) van het aan de verdachte verweten geweld.
4.2.2.
Beoordeling
De rechtbank is het niet met de verdediging eens. Nog afgezien van het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is geweest van alcoholmisbruik door [slachtoffer], blijkt niet dat alcoholgebruik de door de verdediging gestelde gevolgen kan hebben. De deskundigen stellen dat het gebruik van alcohol de vorming van blauwe plekken kan beïnvloeden, maar dat niet is gebleken dat het gebruik van alcohol letsel als hersenbloedingen en onderhuidse bloeduitstortingen kan leiden. Kortom: het is enkel en alleen de verdachte die verantwoordelijk is voor het letsel van [slachtoffer]. Op basis van het letsel stelt de rechtbank vast dat de verdachte ernstig geweld heeft toegepast. Daaruit kan geen andere conclusie volgen dan dat de verdachte erop uit was en dus opzet had om haar zwaar te mishandelen.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij in
of omstreeksde periode van 21 juli 2024 tot en met 22 juli 2024 te Rotterdam
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
een of meerhersenbloedingen, heeft toegebracht door
(meermalen
) (met kracht
)
- in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of te
stompen en/of te schoppen
en/of
- (met kracht) met zijn, verdachtes, handen en/of een voorwerp de keel van die
[slachtoffer] dicht te knijpen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van het [slachtoffer]. Het slachtoffer werd onder talloze blauwe plekken en met dichtgeslagen ogen aangetroffen. Er werden maar liefst 57 letsels bij haar vastgesteld. Het handelen van de verdachte kan niet anders worden omschreven dan een geweldsexplosie. Het slachtoffer moet daarbij doodsangsten hebben gehad. Dit alles gebeurde in de woning van het slachtoffer, een plek waarbij zij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Door de mishandeling zijn bij het slachtoffer meerdere hersenbloedingen ontstaan. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer Niet Aangeboren Hersenletsel bekomen, met blijvende klachten als gevolg. Het spreekt voor zich dat het letsel voor het slachtoffer niet alleen lichamelijke, maar ook geestelijke gevolgen heeft. Haar leven zal waarschijnlijk nooit meer hetzelfde zijn. De verdachte was op het moment dat het slachtoffer meer dood dan levend in haar woning werd gevonden nog in de woning aanwezig. Hij had echter geen hulp ingeschakeld. Dat terwijl snelle hulp bij dit soort letsel noodzakelijk is om de schade te beperken.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
21 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in 2006 eenmaal eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit.
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
10 januari 2025. Dit rapport houdt het volgende in.
Het gemiddeld algemeen recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld, het risico op geweldsrecidive binnen twee jaar wordt eveneens ingeschat op gemiddeld.
Zolang er in het kader van het risicomanagement geen effectieve behandeling is ingezet (en succesvol afgerond) die is gericht op het ontwikkelen van gezonde copingvaardigheden en het voorkomen van alcoholmisbruik, blijft naar het oordeel van de reclassering het recidiverisico onverminderd. Alcoholgebruik is hierbij een luxerende factor gebleken in relatie tot het risico op letselschade.
Bij de verdachte is sprake van de nodige problemen op diverse leefgebieden. Hij ondervindt daarbij veel spanningen en lijkt over onvoldoende copingvaardigheden te beschikken om daar verantwoord mee om te gaan en zijn leven structureel zelfstandig op de rit te krijgen en houden. Dit maakt passende professionele interventie noodzakelijk om te gaan werken aan een vermindering van het recidiverisico.
Bij bewezenverklaring van het ten laste gelegde adviseert de reclassering om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden meewerken aan reclasseringstoezicht, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, ambulante behandeling met mogelijkheid tot korte klinische opname, meewerken aan middelencontrole, inzetten voor dagbesteding, en meewerken aan schuldhulpverlening. Daarnaast wordt een contactverbod met het [slachtoffer] als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en de dadelijke uitvoerbaarheid van die maatregel geadviseerd.
Psycholoog [naam] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
23 december 2024. Uit dit rapport blijkt dat de verdachte geen psychische stoornis heeft en volledig toerekeningsvatbaar is.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de rechtbank als volgt.
Gezien de ernst van het bewezen feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij opgemerkt dat de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting in het geval van bewezenverklaring van het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel een gevangenisstraf van acht maanden aangeven. De mate van geweld, de letsels die de verdachte bij het slachtoffer heeft toegebracht en het niet inschakelen van hulp daar waar het slachtoffer dat nodig had rechtvaardigen echter een veel zwaardere sanctie dan de hiervoor genoemde acht maanden gevangenisstraf. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen van langere duur. Gelet op het door de reclassering gestelde en onderbouwde recidiverisico zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De door de officier van justitie gevorderde maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en de dadelijk uitvoerbaarheid van die maatregel worden niet aan de verdachte opgelegd, omdat niet is gebleken dat de verdachte na zijn aanhouding contact heeft gezocht met het slachtoffer en er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de verdachte dat alsnog gaat doen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8.Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft [benadeelde partij] zich in het geding gevoegd ter zake van het thans bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van totaal
€ 8.855,- aan materiële schade en een vergoeding van € 150.000,- aan immateriële schade, het geheel te vermeerderen met de wettelijke renten en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevorderde materiële schade bestaat uit:
  • een vergoeding van € 850,- voor schade aan een bank (€ 700,-) en een matras (150,-);
  • een totaal aan dagvergoedingen van € 1.435,- voor verblijf in het ziekenhuis van 23 juli 2024 tot 3 september 2024 ad € 35,- per dag;
  • een totaal aan dagvergoedingen van € 6.570,- tot een gemaximeerd verblijf van 365 dagen in een revalidatiecentrum vanaf 3 september 2024 ad € 18,- per dag.
8.1.
Standpunt officier van justitie
Het totaalbedrag aan gevorderde materiële schade en de gevorderde immateriële schade zijn toewijsbaar, het geheel te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast dient de schadevergoedingsmaatregel opgelegd te worden.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging betwist de gestelde schade met betrekking tot de bank en het matras, nu deze schade niet of de hoogte daarvan niet is gebleken.
De verdediging betwist de duur van de gevorderde daggeldvergoeding, nu al op een eerder moment duidelijk was dat het verblijf langer dan 365 dagen zal duren of zelfs een permanent karakter krijgt. Ter onderbouwing van dit verweer wijst de verdediging op Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding.
8.3.
Beoordeling
8.3.1.
De materiële schade
De bank
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De schade aan de bank zal worden begroot op € 200,-, zodat de vordering wat deze post betreft tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het matras
De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu gemotiveerd is betwist dat de gestelde schade is geleden en nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De dagvergoedingen
Genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij, als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit, in het ziekenhuis en vervolgens in een revalidatiecentrum heeft verbleven.
De Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatievergoeding van 1 januari 2024, waarin de ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoedingen zijn vastgelegd, is niet bedoeld voor zeer langdurige opnamen. Uit de richtlijn blijkt dat de Letselschade Raad zich heeft uitgesproken voor een redelijke afbakening van de duur van de richtlijn in dergelijke situaties. De duur van de richtlijn is beperkt tot een totale, al dan niet aaneengesloten duur van ziekenhuisopname en/of verblijf in een revalidatiecentrum van 365 dagen.
Met ingang van 1 januari 20243 bedraagt de ziekenhuisdaggeldvergoeding € 35,- en de revalidatiedaggeldvergoeding € 18,-.
Het slachtoffer heeft 324 dagen in het ziekenhuis dan wel in een revalidatiecentrum verbleven. De rechtbank ziet geen aanleiding om slechts voor een lager aantal dagen een daggeldvergoeding toe te kennen.
Aldus is komen vast te staan dat de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair bewezen feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is wat de dagvergoedingen betreft genoegzaam onderbouwd en zal als volgt worden toegewezen:
  • € 1.435,- aan ziekenhuisdaggeldvergoeding;
  • € 5.832,- aan revalidatiedaggeldvergoeding.
8.3.2.
De immateriële schade
De benadeelde partij komt, nu zij lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het onder 1 subsidiair bewezen feit, vergoeding van immateriële schade toe. Er is sprake van hersenletsel met forse vermoeidheid, een beperkt inspanningsvermogen en mogelijk deels daarmee samenhangende cognitieve stoornissen en gedragsveranderingen. Na een ziekenhuisopname van zo’n anderhalve maand en een verblijf in een revalidatiecentrum van ruim vierhonderd dagen woont het slachtoffer inmiddels in een begeleide woonvorm. Mogelijk zal haar cognitief functioneren nog verbeteren, maar het slachtoffer kan - mede door haar predispositie - niet meer zelfstandig wonen. De rechtbank heeft bij het begroten van de immateriële schadevergoeding aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal [1] en daarbij gekeken naar middelzwaar hersenletsel, waarbij de gevolgen in zowel categorie II en III zijn te plaatsen. Al met al stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding vast op een bedrag van € 50.000,-.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontoereikend zijn. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8.3.3.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 december 2025.
8.3.4.
Kostenveroordeling
Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.3.5.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van totaal € 57.467,- (€ 7.467,- aan materiële schade en € 50.000,- aan immateriële schade) vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
1 (één) jaarniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als
algemene voorwaardedat de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;
stelt als
bijzondere voorwaarden:
de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;
de veroordeelde zal meewerken aan reclasseringstoezicht, bestaande uit:
 zich houden aan aanwijzingen van de reclassering;
 het geven van inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
 zich niet vestigen op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
 meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;
3. de veroordeelde zal, indien geïndiceerd, verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering:
 het verblijf start aansluitend op detentie en duurt zolang de reclassering en de
zorginstelling dat nodig vinden;
 de veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
4. de veroordeelde werkt mee aan outreachende behandeling en begeleiding door Fivoor Ambulant Centrum of een soortgelijke forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op detentie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt en richt zich ook op middelenproblematiek;
5. de veroordeelde zet zich in voor abstinentie van alcohol- en middelengebruik en werkt mee aan controle op het mogelijke drugs- of alcoholgebruik;
6. de veroordeelde zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding, met een vaste structuur. Eventuele wijzigingen of aanpassingen overlegt hij van tevoren met de reclassering;
7. de veroordeelde geeft inzage in zijn financiën en werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening/bewindvoering in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
  • de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
  • de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij] te betalen een bedrag van
€ 57.467,- (zegge: zevenenvijftigduizend vierhonderdzevenenzestig euro), bestaande uit € 7.467,- aan materiële schade en
€ 50.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de
wettelijke rentehierover
vanaf
3 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen
€ 57.467,-(hoofdsom zegge:
zevenenvijftigduizend vierhonderdzevenenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 57.467,- niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
309 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Groen, voorzitter, en mrs. J. de Lange en
J. van de Klashorst, rechters, in tegenwoordigheid van R. Meulendijk griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 24 december 2025.
De voorzitter, de oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1. primair.
hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2024 tot en met 22 juli 2024 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven,
- ( meermalen) (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd van die
[slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of
- ( meermalen) (met kracht) met zijn, verdachtes, handen en/of een voorwerp de
keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
1subsidiair.
hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2024 tot en met 22 juli 2024 te Rotterdam
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer hersenbloedingen, heeft toegebracht
door (meermalen) (met kracht)
- in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of te
stompen en/of te schoppen en/of
- ( met kracht) met zijn, verdachtes, handen en/of een voorwerp de keel van die
[slachtoffer] dicht te knijpen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 21 juni 2024 tot en met 22 juli 2024 te Rotterdam
zijn levensgezel, [slachtoffer],
heeft mishandeld door die [slachtoffer] (telkens)(met kracht)
- vast te pakken en/of
- aan de haren te trekken en/of
- in het lichaam te knijpen en/of
- tegen het lichaam te duwen en/of
- in/op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de hals en/of de schouders en/of de
(boven)armen en/of de polsen en/of de benen, althans het lichaam, te slaan en/of
te stompen en/of te schoppen en/of
- over de grond te slepen.