ECLI:NL:RBROT:2025:15658

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/10/712182 / JE RK 25-2654
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen tot 7 januari 2027. De ouders oefenden het ouderlijk gezag uit en de kinderen woonden bij hen. De zitting vond plaats op 31 december 2025, waarbij de ouders niet verschenen en ook de kinderen niet reageerden op uitnodigingen voor een gesprek.

De instelling rapporteerde dat ondanks inzet van hulpverlening en contactpogingen met het gezin, er geen vooruitgang was geboekt. De vader toonde een gesloten houding en verwees herhaaldelijk naar zijn geloofsovertuiging als reden om hulpverlening af te wijzen. De moeder was moeilijk bereikbaar en leek afhankelijk van de vader. De situatie werd gekarakteriseerd als een gesloten systeem met grote zorgen over het welzijn van de kinderen.

De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de situatie te monitoren en verder onderzoek mogelijk te maken. De beschikking werd verlengd voor een jaar en direct uitvoerbaar verklaard. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na betekening of kennisname.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen wordt verlengd tot 7 januari 2027 en de beschikking is direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712182 / JE RK 25-2654
Datum uitspraak: 31 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 3] 2013 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] ,
[minderjarige 4],
geboren op [geboortedatum 4] 2016 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI, met bijlagen, ontvangen op 19 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] uitgenodigd voor een gesprek met haar. Hierop is geen reactie gekomen.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] wonen bij de ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 januari 2025 [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] onder toezicht gesteld tot 7 januari 2026.

3.Het verzoek

De GI verzoekt, na advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en licht dat als volgt toe. De afgelopen maanden heeft de GI geprobeerd om in contact te komen met het gezin en zicht te krijgen op de thuissituatie van de kinderen. De samenwerking met de ouders is niet van de grond gekomen. Tijdens de hulpverleningsgesprekken heeft de vader een gesloten houding en refereert hij herhaaldelijk aan zijn geloofsovertuiging. De vader geeft aan dat de hulpverlening niet noodzakelijk is en hij wil graag dat de ondertoezichtstelling afloopt. Er is hulpverlening vanuit het KOC ingezet, om beter in contact te komen met het gezin. Dit heeft ook niet tot positieve vooruitgang geleid. Er bestaan grote zorgen over het welzijn van de kinderen. Het lijkt erop dat de kinderen in een ongezond systeem leven, waarop geen grip te krijgen is en dat schadelijk voor hen is. De GI wil graag via een schriftelijke aanwijzing ervoor zorgen dat de vader meewerkt, zodat er alsnog zicht komt op het welzijn en de veiligheid van de kinderen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Gedurende de looptijd van de ondertoezichtstelling heeft de GI geprobeerd om zicht te krijgen op de thuissituatie van de kinderen. Er is hulpverlening ingezet vanuit het KOC, om zo in contact te komen met de ouders en het netwerk van het gezin te versterken. Ondanks de ingezette hulpverlening is er weinig vooruitgang gekomen in de situatie. De vader weigert elke vorm van samenwerking en refereert zich tijdens de hulpverleningsgesprekken voornamelijk aan zijn geloofsovertuiging. Ook is het moeilijk om in contact te komen met de moeder en het lijkt erop dat zij volledig afhankelijk is van de vader. Er is contact geweest met de scholen van de kinderen en vanuit hen worden de zorgelijke signalen ook erkend. Het gezin functioneert binnen een gesloten systeem, dat moeilijk te doorbreken is. De geslotenheid van het gezin leidde er in eerste instantie toe dat de GI de ondertoezichtstelling niet wilde verlengen, omdat er nauwelijks uitvoering gegeven kan worden aan die ondertoezichtstelling. De zorgen zijn echter groot en het lijkt erop dat deze slechts het topje van de ijsberg zijn. Er is daarom, mede op advies van de Raad, door de GI besloten om de hulpverlening voort zetten.
5.3.
Gelet op deze ernstige zorgen, acht de kinderrechter de betrokkenheid van jeugdbescherming noodzakelijk. Op deze manier wordt de situatie gemonitord kan er opnieuw onderzoek worden gedaan naar het welzijn en de veiligheid van de kinderen.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] tot 7 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025 door S.J. Huizenga, kinderrechter, in aanwezigheid van R.J.S. Mulder als griffier, en op schrift gesteld op 16 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.