Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2025 in de zaak tussen
[Naam eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
Procesverloop
Voor zover het telefoontje van de gemachtigde van eiseres aan de gemachtigden van verweerder zou moeten worden aangemerkt als een verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak ter zitting, ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.
Overwegingen
Bij brieven van 6 oktober 2021 en 7 maart 2022 heeft de Kamer van Koophandel (KvK) ondernemingen, waaronder eiseres, verzocht om hun UBO’s te registreren. Hiertoe zijn zij sinds 27 maart 2022 verplicht.
Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres de UBO(’s) niet heeft geregistreerd. Bij brief van 30 oktober 2023 is eiseres daarom nogmaals verzocht zijn UBO(’s) te registeren.
Bij raadpleging van het UBO-register op 17 mei 2024 is gebleken dat eiseres nog steeds niet heeft voldaan aan haar verplichting om zijn UBO(’s) te registreren.
Deze bevindingen heeft verweerder neergelegd in het onderzoeksrapport van 17 mei 2024.
Verweerder heeft, desgevraagd, de verzendadministratie van de brieven aan eiseres over de registratie van haar UBO(’s) overgelegd. Daarnaast heeft verweerder overgelegd een aantal interne telefoonnotities van belpogingen om met eiseres in contact te komen.
Ongeacht welke conclusie hieruit zou moeten worden getrokken, ook indien zou moeten worden aangenomen dat eiseres tot de ontvangst van het voornemen van verweerder nooit enig bericht over de registratieplicht zou hebben ontvangen, kan die omstandigheid naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan haar (eigen) wettelijke verplichting om haar UBO(’s) te registeren. De hiertoe aangedragen beroepsgrond kan niet slagen.
De rechtbank stelt voorop dat deze bevoegdheid discretionair van aard is. De rechter moet het gebruik van deze bevoegdheid terughoudend toetsen. Het is immers niet (en in ieder geval niet in de eerste plaats) aan de rechter om te bepalen wanneer verweerder een boete mag opleggen en wanneer niet.
Het register is bedoeld om een waardevolle bijdrage te leveren aan het bereiken van meer transparantie over UBO(’s) van in Nederland opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten in het licht van de bescherming van de integriteit van het financieel stelsel tegen het witwassen van geld, daarmee verband houdende basisdelicten zoals corruptie, fiscale misdrijven waaronder belastingontduiking en fraude, alsmede terrorismefinanciering (vgl. Kamerstukken II 2018/19, 35179 nr. 3, p. 6 en 9). Uit de richtlijn volgt ook dat de bevoegde autoriteiten tijdig en onbeperkt toegang moeten hebben tot alle UBO-informatie ter uitoefening van hun publieke taken.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar betoog dat niemand zou zijn geraakt doordat zij nooit haar UBO(’s) heeft geregistreerd. Hierdoor zou het immers niet mogelijk zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten tijdig en toegang te krijgen ter uitoefening van hun taken. Dit heeft eiseres ook niet weersproken.
De omstandigheid dat eiseres een inactieve organisatie is die niet deelneemt aan het economische verkeer, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin afdoen aan de bevoegdheid van verweerder op tot boeteoplegging over te gaan. Verweerder heeft in dit kader terecht naar voren gebracht dat de Hrw voor de wettelijk plicht om de UBO(’s) te registreren geen onderscheid maakt tussen actieve en inactieve organisaties, zodat deze door eiseres aangedragen omstandigheid in die zin irrelevant is.
Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij de onderneming zal uitschrijven uit het handelsregister bij de KvK. Gesteld noch gebleken is echter dat zij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Wat daarvan ook zij, ook dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan de verweten overtreding en de bevoegdheid van verweerder om daarvoor een boete op te leggen.
Door eiseres zijn geen andere omstandigheden aangevoerd die maken dat boeteoplegging in dit geval niet opportuun of evenredig is. Ook anderszins is dit naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.