ECLI:NL:RBROT:2025:1728

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 januari 2025
Publicatiedatum
11 februari 2025
Zaaknummer
FT RK 24/1666 en FT RK 24/1667
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning wegens schuldhulpverlening

Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet tot het treffen van een voorlopige voorziening die de ontruiming van haar huurwoning opschort. Dit verzoek werd gedaan nadat de verhuurder een vonnis tot ontruiming had verkregen en de ontruiming dreigde plaats te vinden.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming aangekondigd is en verzoekster inmiddels de huur van november en december 2024 heeft betaald, ondanks een typefout in het betalingsbewijs. Verzoekster heeft tevens verklaard de huur van januari 2025 tijdig te zullen voldoen. De rechtbank weegt het belang van verzoekster om in haar woning te kunnen blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van de verhuurder.

De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurbetalingen tijdig blijven plaatsvinden. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid om een nieuw verzoek in te dienen. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe, schort de ontruiming op en verlengt de huurovereenkomst voor zes maanden onder de voorwaarde van tijdige huurbetaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 9 januari 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 21 november 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 22 november 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 december 2024.
Ter zitting van 19 december 2024 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer mr. J. Verheij, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
  • de heer [persoon A] , werkzaam bij Bazuin & Partners, namens CWE 02 Niederlande GmbH & Co KG, gevestigd te Berlijn (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Uit het verzoekschrift en het verhandelede ter zitting is gebleken dat verzoekster zich heeft aangemeld bij Zuidweg en Partners voor schuldhulpverlening. Verzoekster ontvangt voldoende inkomen uit arbeid om de huur te kunnen betalen. De kale huur bedraagt
€ 1.615,-. De huur van november 2024 is op 21 novoember 2024 betaald. Bij het betalingsbewijs van 21 november 2024 van de huur van december 2024 staat dat de betaling ziet op 2014. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat er sprake was van een type fout en dat de betaling ziet op december 2024. Ook heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij de huur van januari 2025 kan en ook tijdig zal betalen.

3.Het verweer

Verweerster heeft ter zitting aangegeven geen verweer te voeren tegen toewijzing van het verzoek, nu de huur van november en december 2024 is betaald.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 15 november 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 25 november 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 30 mei 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huur van november 2024 is – weliswaar te laat – op 21 november 2024 betaald. Daarnaast is de huur van december 2024 tijdig betaald op 21 november 2024. Dat bij de huur van december 2024 als jaartal 2014 staat vermeld, ziet de rechtbank als een type fout. Daarnaast heeft de rechtbank er voldoende vertrouwen in dat verzoekster de huur van januari 2025 tijdig zal betalen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 30 mei 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan het [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
22 november 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.