Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De rechtbank constateert dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland staat voor 19 december 2024.
Verzoeker ontvangt een ZW-uitkering en staat onder beschermingsbewind, waardoor de huurtermijnen sinds januari 2024 via automatische incasso worden voldaan. De beschermingsbewindvoerder bevestigt dat het inkomen voldoende is om de lopende huur te betalen.
Verweerster heeft geen vertrouwen meer in verzoeker als huurder en betwijfelt de betaling van de huur. De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerster.
De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schorst de ontruiming, mits de huurtermijnen tijdig worden betaald. Tevens verklaart zij verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet.