ECLI:NL:RBROT:2025:1851

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 februari 2025
Publicatiedatum
14 februari 2025
Zaaknummer
ROT 24/3987
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde Wajong-aanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Eiseres heeft een herhaalde aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, nadat haar eerdere aanvraag in 2015 was afgewezen op grond van een beoordeling dat zij op haar achttiende verjaardag arbeidsvermogen had. Het UWV heeft deze herhaalde aanvraag afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die aanleiding gaven om het eerdere besluit te herzien.

De rechtbank heeft het beroep behandeld waarbij eiseres en haar gemachtigde niet zijn verschenen. De rechtbank toetste of het UWV het besluit zorgvuldig en deugdelijk had gemotiveerd. Uit het medisch dossier en rapporten van verzekeringsartsen bleek dat er geen objectieve medische gegevens waren die wezen op een duurzaam verlies van arbeidsvermogen binnen de verzekerde periode.

De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht vasthield aan het eerdere besluit en dat het beroep ongegrond is. Er is geen sprake van evident onredelijkheid of strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten terug.

De uitspraak is gedaan door rechter P.G.J. van den Berg en griffier M. Damen op 28 februari 2025. Eiseres kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar herhaalde Wajong-aanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/3987

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres,

(gemachtigde: mr. J. Jansen),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV,

(gemachtigde: mr. T. Rook).

Procesverloop

Met het besluit van 10 november 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong) afgewezen.
Met het besluit van 10 april 2024 (het bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft beroep op 14 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het UWV. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Totstandkoming van het besluit

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1990, heeft eerder een (laattijdige) beoordeling arbeidsvermogen aangevraagd. Met het besluit van 23 juni 2015 heeft het UWV de aanvraag om een Wajong-uitkering afgewezen. Hieraan zijn rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige ten grondslag gelegd, die hebben geconcludeerd dat eiseres op haar achttiende verjaardag arbeidsvermogen had. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.
2. Eiseres heeft op 18 september 2023 nogmaals een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend. Het UWV heeft de aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van zijn besluit van 23 juni 2015. Met het primaire besluit heeft het UWV dit verzoek afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn ten opzichte van de eerdere aanvraag.
3. Het UWV heeft met het bestreden besluit zijn standpunt gehandhaafd. Daaraan heeft het UWV een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 april 2024 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is het eens met het standpunt van de primaire verzekeringsarts dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven om de voorgaande beoordeling in het kader van de Wajong te herzien. Daarnaast is de verzekeringsarts bezwaar en beroep van mening dat niet is gebleken dat er sprake is van een duurzaam verlies van arbeidsvermogen binnen de periode van
[geboortedatum] 2008 tot en met [geboortedatum] 2013 als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als op haar achttiende verjaardag. Omdat eiseres op haar achttiende arbeidsvermogen had, wordt zij na een tijdvak van tien jaar na haar achttiende verjaardag ook niet als jonggehandicapte aangemerkt.

Standpunt eiseres

4. Eiseres voert in beroep aan dat er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Zij voert daartoe aan dat in de periode van vijf jaar na haar achttiende verjaardag sprake was van een toename van haar klachten, hetgeen onvoldoende onderkend is, en dat zij in de tien jaar na haar achttiende verjaardag geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft gehad.

Beoordeling door de rechtbank

5.1.
De aanvraag van eiseres is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. In verschillende uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) uitgemaakt hoe het bestuursorgaan, specifiek in arbeidsongeschiktheidszaken, een herhaalde aanvraag moet beoordelen en hoe de rechtbank vervolgens een besluit over een herhaalde aanvraag behoort te toetsen. [1]
5.2.
Als iemand na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing opnieuw een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering doet, moet het bestuursorgaan beoordelen welke bedoeling de aanvrager heeft met de aanvraag. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van Pro de Awb, herziening voor het verleden), dat een zogeheten “Amber”-beoordeling wordt verricht, of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). Het onderscheid in wat de aanvrager heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het bestuursorgaan en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.
5.3.
Bij een aanvraag die ziet op een herziening voor het verleden, kan het UWV beoordelen of er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen van dat eerdere besluit. Het UWV kan op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ervoor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden er volgens hem niet zijn. Het UWV mag de aanvraag ook inhoudelijk behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen, ook als de aanvrager daaraan geen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Voor het toetsingskader van de rechtbank is van belang welke keuze het UWV maakt.
5.4.
Het UWV heeft er in dit geval voor gekozen het verzoek van eiseres om herziening voor het verleden op haar achttiende verjaardag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken. Ten aanzien van de vijf jaar na haar achttiende verjaardag is de medische situatie van eiseres inhoudelijk beoordeeld. Dit betekent dat de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden moet toetsen of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
5.5.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de rechtbank niettemin aan de hand van de aangevoerde gronden tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. [2]
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken die maken dat eiseres recht had op een Wajong-uitkering op haar achttiende verjaardag. Hoewel uit de in bezwaar aangeleverde uitdraai van het e-dossier van 15 januari 2024 kan worden opgemaakt dat de diagnose Ehlers-Danlos is gesteld, kan op basis hiervan niet worden gesteld dat de belastbaarheid op de achttiende verjaardag van eiseres anders was dan bij de eerdere beoordeling. Het e-dossier bevat geen gegevens over het functioneren van eiseres in die periode.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is ook terecht door het UWV geconcludeerd dat geen recht is op een Wajong-uitkering vanwege toegenomen beperkingen in de vijf jaar na haar achttiende verjaardag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van
9 april 2024 afdoende gemotiveerd dat door eiseres geen objectieve medische gegevens zijn aangeleverd die wijzen op toegenomen beperkingen voortvloeiend uit de psychische klachten of lichamelijke klachten in de vijf jaar na haar achttiende verjaardag (de periode van [geboortedatum] 2008 tot [geboortedatum] 2013). Ook de gerapporteerde opname wegens psychische klachten in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 17 juni 2015 is geen nieuw gegeven en kan niet leiden tot de conclusie dat toen de beperkingen duurzaam zijn toegenomen binnen de verzekerde periode. Uit het functioneren van eiseres, zoals beschreven in dat rapport van 17 juni 2015, blijkt niet dat de belastbaarheid voor wat betreft de psychische klachten op het moment van het spreekuur (na de verzekerde periode) anders was dan op haar achttiende verjaardag, waarbij in 2015 arbeidsvermogen is vastgesteld. Indien sprake is geweest van toegenomen beperking door psychische klachten binnen de verzekerde periode, is dit niet duurzaam gebleken. Omdat eiseres op haar achttiende verjaardag arbeidsvermogen had, wordt zij ook niet na een tijdvak van tien jaar als jonggehandicapte aangemerkt.
8. De rechtbank volgt het UWV verder in het standpunt dat vasthouden aan het oorspronkelijke besluit niet evident onredelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een zorgvuldig onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het medische dossier bestudeerd en daarbij alle beschikbare medische informatie van de behandelend sector in zijn beoordeling betrokken. Er is sprake van een laattijdige aanvraag, waardoor bij de beoordeling moet worden teruggekeken in de tijd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt de bewijslast en dus ook het bewijsrisico bij een laattijdige Wajong-aanvraag bij de aanvrager. [3] Het is dus aan eiseres om haar standpunt met stukken te onderbouwen. Voor zover onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de gezondheidstoestand van eiseres op de van belang zijnde data en het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen, komen deze omstandigheden voor risico van eiseres. Van evidente fouten in de eerdere beslissing is niet gebleken. Van strijd van het bestreden besluit met de door eiseres genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur is eveneens niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

9. Het voorgaande betekent dat het UWV op goede gronden heeft vastgesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Daarom heeft het UWV terecht de herhaalde aanvraag van eiseres van een Wajong-uitkering afgewezen.
10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit onder meer de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2421.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1162.