ECLI:NL:RBROT:2025:1934

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
17 februari 2025
Zaaknummer
C/10/683117 / JE RK 24-1628
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

In deze zaak heeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond een verzoek ingediend tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die momenteel verblijft bij haar zus. Eerdere beschikkingen verlengden deze machtiging tot respectievelijk 6 december 2024 en 6 maart 2025. De GI verzocht om een verdere verlenging van een jaar.

Tijdens de zitting op 7 februari 2025 waren de moeder, vader, zus en vertegenwoordigers van de GI aanwezig. De moeder en haar advocaat stelden dat verlenging niet meer nodig is, gezien de positieve ontwikkelingen en de inzet van het gezin. De zus en vader onderschreven dit standpunt, waarbij de vader aangaf de moeder te willen ondersteunen.

De kinderrechter concludeerde dat de verlenging niet langer noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De positieve ontwikkelingen, de medewerking van de moeder aan hulpverlening en de betrokkenheid van ASVZ ondersteunen dit oordeel. De resterende periode tot 6 maart 2025 is voldoende om terugplaatsing bij de moeder te realiseren.

Daarom wees de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot verlenging af. De uitspraak werd op 7 februari 2025 gedaan en op 13 februari 2025 schriftelijk vastgelegd. Hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: Het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/683117 / JE RK 24-1628
Datum uitspraak: 7 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.A. Smits, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam zus],
hierna te noemen de zus,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 28 november 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage met bijlagen van de GI van 31 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaat;
  • de vader;
  • de zus;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [persoon A] en [persoon B] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij de zus.
2.3.
Bij beschikking van 26 augustus 2024 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 6 september 2025, is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij de zus, verlengd tot 6 december 2024 en is de behandeling van het verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 28 november 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij de zus, verlengd tot
6 maart 2025 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van
een jaar. Hierover is al beslist. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er moet nog worden beslist over de resterende duur van zes maanden.
3.2.
De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. Een van de jeugdbeschermers is al een langere periode ziek en de andere jeugdbeschermer heeft een nieuwe baan. Daardoor is er sinds de vorige beschikking eigenlijk niets meer gebeurd. Sinds deze week is een nieuwe jeugdbeschermer bij het gezin betrokken. De komende periode wil de GI naar een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in de meivakantie toewerken, waarbij ASVZ op vrijdagmiddagen de bezoekmomenten zal observeren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting aangegeven dat er geen reden meer is om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd. De ouders en de zus hebben zich in de afgelopen periode voor [voornaam minderjarige] ingezet. Het is een hecht gezin dat elkaar steunt en dat er voor [voornaam minderjarige] is en zal zijn. De zus heeft aangegeven dat de moeder de zorg voor [voornaam minderjarige] weer op zich kan nemen. [voornaam minderjarige] vindt het ook fijn bij de moeder thuis. Zij vindt het moeilijk dat zij niet bij de moeder woont. De vader heeft aangegeven dat hij de moeder wil ondersteunen. Daar komt bij dat ASVZ betrokken is en de moeder de afspraken nakomt.
4.2.
De zus heeft zich ter zitting verzet tegen het resterende deel van het verzoek en heeft verklaard dat zij het eens is met het standpunt van de advocaat van de moeder en dat [voornaam minderjarige] de moeder mist.

5.De verklaring van de informant

5.1.
De vader heeft ter zitting verklaard dat [voornaam minderjarige] weer bij haar moeder wil wonen en dat hij de moeder in de zorg en opvoeding van [voornaam minderjarige] kan ondersteunen.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] niet meer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt als volgt.
6.2.
Bij beschikkingen van 26 augustus 2024 en 28 november 2024 heeft de kinderrechter bepaald dat het gelet op de positieve ontwikkelingen van belang was om toe te werken naar een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder, waarbij het belang van [voornaam minderjarige] voorop staat. Er waren op dat moment immers geen zorgen over [voornaam minderjarige] , de moeder werkte mee aan de hulpverlening en de momenten waarop [voornaam minderjarige] bij de moeder was, verliepen goed. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er nog steeds geen zorgen zijn over [voornaam minderjarige] , dat de moeder nog steeds meewerkt aan de hulpverlening en dat de bezoeken en de logeermomenten van [voornaam minderjarige] bij de moeder nog steeds positief verlopen. Ook de komende periode blijft ASVZ bij het gezin betrokken. Daar komt bij dat de vader de moeder in de zorg en opvoeding van [voornaam minderjarige] wil ondersteunen. Gelet op al het voorgaande is de kinderrechter dan ook van oordeel dat de resterende periode tot aan de afloop van de huidige machtiging, namelijk op 6 maart 2025, voldoende moet zijn om de terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder te realiseren. Daarbij blijft het belang van [voornaam minderjarige] voorop staan.
6.3.
Gelet hierop zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek afwijzen, voor zover hierop niet eerder is beslist.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
wijst af het resterende deel van het verzoek, voor zover hierop niet eerder is beslist.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2025 door
mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.