In deze kort geding procedure heeft de rechtbank Rotterdam op 14 februari 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de machtiging tot het te gelde maken van een woning behorende tot een nalatenschap. Eiser, vertegenwoordigd door zijn advocaat, verscheen, terwijl gedaagden niet verschenen en verstek werd verleend.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vorderingen van eiser niet ongegrond of onrechtmatig waren en wees de primaire vordering toe, waarbij een kennelijke verschrijving in de machtigingsaanvraag werd gecorrigeerd. Gedaagde 1 werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten, terwijl gedaagden 2 tot en met 4 ieder hun eigen kosten dragen, omdat zij hun instemming met de verkoop hadden kenbaar gemaakt.
Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het belang van eiser en de afwikkeling van de nalatenschap. De machtiging betreft het verrichten van verkoop- en leveringshandelingen binnen vier weken na betekening tegen een vastgesteld bedrag. Tevens werd een extra vergoeding bij niet-tijdige betaling van de proceskosten opgelegd.