ECLI:NL:RBROT:2025:1943

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
17 februari 2025
Zaaknummer
11249059 CV EXPL 24-19391
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:439 BWArt. 1:441 lid 1 BWArt. 1:436 lid 3 BWArt. 1:391 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens handelingsonbevoegdheid onder bewind gestelde partij bij aannemingsovereenkomst

Eiser sloot in juni 2023 een aannemingsovereenkomst met een niet-bestaand bedrijf, vertegenwoordigd door gedaagde, voor verbouwing van badkamer en toilet. Gedaagde verrichtte werkzaamheden en ontving betaling, maar liet de klus onvoltooid en gebrekkig achter. Eiser schakelde een expert in die herstelkosten van ruim €17.600 vaststelde en vorderde nakoming en schadevergoeding van gedaagde.

De bewindvoerder van gedaagde stelde zich op het standpunt dat gedaagde onder bewind stond en daardoor handelingsonbevoegd was om de overeenkomst aan te gaan. De kantonrechter oordeelde dat de bewindvoerder namens gedaagde mag optreden en dat eiser het bewind kende of had behoren te kennen, mede door publicatie in het Centraal Curatele- en Bewindregister. Diverse signalen hadden eiser moeten waarschuwen om nader onderzoek te doen.

De kantonrechter wees de vordering af wegens de handelingsonbevoegdheid van gedaagde en het ontbreken van bekrachtiging door de bewindvoerder. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. De kantonrechter merkte op dat zelfs bij toewijzing de kans op daadwerkelijke schadevergoeding nihil zou zijn vanwege de schuldenproblematiek van gedaagde.

Uitkomst: De vordering van eiser wordt afgewezen wegens handelingsonbevoegdheid van gedaagde onder bewind.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11249059 CV EXPL 24-19391
datum uitspraak: 7 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: [naam 2] (werkzaam bij DAS),
tegen
Budget Solutions B.V.,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[naam 1],
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. Kattestaart.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’, ‘de bewindvoerder q.q.’ en ‘[naam 1]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 18 juli 2024, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord, met bijlagen;
  • de akte overlegging producties van [eiser], met bijlagen;
  • de akte uitlaten na comparitie van partijen van de bewindvoerder q.q. (voor de rol van
9 januari 2025).
1.2.
Op 13 december 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • [eiser], vergezeld door zijn echtgenote [naam 3] en bijgestaan door de gemachtigde voornoemd;
  • namens de bewindvoerder q.q. [naam 4] (bewindvoerder) en [naam 5]
(assistent-bewindvoerder), bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. [naam 1] zelf was niet aanwezig.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[eiser] heeft in juni 2023 een overeenkomst met het bedrijf [naam bedrijf] gesloten voor de verbouwing van de badkamer en het toilet in de woning van [eiser]. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat [naam bedrijf] een niet-bestaand bedrijf is, maar [naam 1] heeft namens [naam bedrijf] werkzaamheden in de woning van [eiser] verricht en [eiser] heeft - naar eigen zeggen - € 10.803,86 voor de verbouwing aan [naam 1] betaald. Daarom richt [eiser] zich ten aanzien van de verbouwing tot [naam 1].
Op 6 juni 2023 is [naam 1] met de verbouwing gestart. Op 24 juli 2023 vond er een kortsluiting in de meterkast van de woning van [eiser] plaats en op 25 juli 2023 heeft [naam 1] voor het laatst werkzaamheden verricht. [eiser] heeft [naam 1] via een ingebrekestelling verzocht om - kort gezegd - de overeengekomen werkzaamheden (deugdelijk) af te maken, maar een reactie hierop bleef uit. [eiser] heeft vervolgens een expertisebureau ingeschakeld, BIJN.nl, voor het beoordelen van het geleverde werk van [naam 1]. De dienstdoende expert heeft een rapport uitgebracht en daarin verklaard dat de door [naam 1] verrichte werkzaamheden niet voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk. De gebreken staan in het rapport opgesomd en de herstelkosten bedragen volgens de expert € 17.643,43. Op 1 september 2023 heeft [eiser] genoemd rapport naar [naam 1] toegezonden, maar opnieuw bleef een reactie uit. Daarom heeft (de gemachtigde van) [eiser] de vordering tot nakoming per brief van 8 februari 2024 omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding (ter hoogte van € 17.643,43). Omdat óók na de brief van 8 februari 2024 geen reactie van [naam 1] bij [eiser] binnenkwam, voelde [eiser] zich genoodzaakt om deze procedure aanhangig te maken. Hij eist nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de bewindvoerder q.q. veroordeeld wordt om een hoofdsom van € 18.587,94 aan hem te betalen. De hoofdsom bestaat uit de volgende posten:
  • vervangende schadevergoeding € 17.643,43;
  • herstelkosten meterkast € 89,03;
  • opvragen BRP-gegevens van [naam 1] € 21,48;
  • expertisekosten (BIJN.nl) € 834,00.
Verder wil [eiser] dat de bewindvoerder q.q. veroordeeld wordt om buitengerechtelijke incassokosten van € 1.162,66, wettelijke rente over de hoofdsom en de proceskosten (met rente) aan hem te betalen.
2.2.
De bewindvoerder q.q. is het niet eens met de eis van [eiser]. Op haar verweer wordt in de verdere beoordeling ingegaan.
De uitkomst
2.3.
De kantonrechter wijst de eis van [eiser] af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[eiser] heeft een eiswijziging ingediend, maar die wordt buiten beschouwing gelaten
2.4.
[eiser] heeft tegen de rol van 9 januari 2025 een akte houdende wijziging van eis ingediend, maar die wordt buiten beschouwing gelaten. Naar het oordeel van de kantonrechter is de eiswijziging in strijd met de eisen van een goede procesorde. Gelet op het stadium waarin de procedure zich bevond ten tijde van de eiswijziging leidt toewijzing daarvan tot een onredelijke vertraging van de procedure. Daarbij komt dat de betreffende eiswijziging al in een eerder stadium van de procedure had kunnen worden ingediend. Daarom wordt ingegaan op de eis, zoals geformuleerd in de dagvaarding.
[naam 1] staat onder bewind en de bewindvoerder q.q. mag zich beroepen op de ongeldigheid van de rechtshandeling van [naam 1]
2.5.
De kantonrechter te Rotterdam heeft op 15 juli 2020 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [naam 1]. Op grond van artikel 1:441 lid 1 BW Pro vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn of haar taak de rechthebbende in en buiten rechte. Van de vervulling van de taak van de bewindvoerder is sprake wanneer het gaat om handelingen in verband met de onder bewind staande goederen. De eis van [eiser] ziet op onder bewind staande goederen.
2.6.
De bewindvoerder q.q. betwist niet dat [eiser] de overeenkomst feitelijk is aangegaan met [naam 1] en dat het niet-bestaande bedrijf [naam bedrijf] er tussenuit is gevallen. Echter, [eiser] en [naam 1] hebben een overeenkomst gesloten
nádatde goederen van [naam 1] onder bewind zijn gesteld. De onderbewindstelling heeft tot gevolg dat [naam 1] beschikkingsonbevoegd is geworden. [naam 1] is weliswaar handelingsbekwaam gebleven en mag hij dus in beginsel op eigen naam overeenkomsten aangaan, maar het beheer over de onder bewind staande goederen komt evenwel toe aan de bewindvoerder q.q. Dat brengt met zich dat [naam 1] handelingsonbevoegd is. De bewindvoerder q.q. heeft aan deze overeenkomst en aan de nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen ook geen medewerking verleend en/of de overeenkomst met [eiser] bekrachtigd. Verder is niet gesteld of gebleken dat de kantonrechter een machtiging voor het aangaan van de overeenkomst heeft afgegeven.
2.7.
De vraag is voorts of de ongeldigheid van de rechtshandeling van [naam 1] [eiser] kan worden tegengeworpen. Artikel 1:439, eerste lid, van het BW bepaalt dat de ongeldigheid van de rechtshandeling een derde slechts kan worden tegengeworpen indien deze het bewind kende of had behoren te kennen. Of een derde het bewind had behoren te kennen, hangt voornamelijk af van de vraag of het bewind al dan niet overeenkomstig artikel 1:436, derde lid, van het BW is gepubliceerd. Uit het door de bewindvoerder q.q. overgelegde uittrekstel uit het Centraal Curatele- en Bewindregister blijkt dat het bewind op 15 juli 2020 is gepubliceerd in voornoemd register. Dit register is voor iedereen kosteloos toegankelijk (1:391 lid 2 BW), te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder registers, en eenvoudig doorzoekbaar op basis van naam en geboortedatum. Ook van een reguliere consument zoals [eiser] mag worden verwacht dat hij het register raadpleegt, want daar is nu juist het openbare register voor. Hij behoort daarom in zijn algemeenheid het in dit openbaar register ingeschreven feit te kennen en kan geen beroep doen op derdenbescherming. Van omstandigheden die zich hiertegen verzetten is niet(s) gebleken, ook niet na het uitgebreide debat dat tijdens de zitting is gevoerd over het feit dat [eiser] geen professionele partij is, en - in het verlengde daarvan - in hoeverre er bij een consument van uitgegaan mag worden dat hij/zij een bewind kent of behoort te kennen. De kantonrechter neemt daarbij in dit specifieke geval het volgende in aanmerking. Uit de over en weer overgelegde stukken is gebleken dat tijdens de totstandkomingsfase van de overeenkomst en in de periode daarna dusdanig veel opvallende/merkwaardige signalen zichtbaar waren dat [eiser] daar - in het kader van de op hem rustende algemene onderzoeksplicht als opdrachtgever - aandacht aan had moeten besteden en deze had moeten oppakken. Het gaat onder meer om de volgende signalen:
[eiser] heeft [naam 1], althans [naam bedrijf], gevonden op het platform Nextdoor. De bewindvoerder q.q. heeft een screenshot van de website van Nextdoor overgelegd, waaruit volgt dat Nextdoor bedoeld is om lokale buren, bedrijven en overheidsorganisaties bij elkaar te brengen. Uit niets blijkt dat (het bedrijf van) [naam 1] door [eiser] is gescreend, bijvoorbeeld met een eenvoudige check van het KvK-nummer;
Volgens [eiser] is [naam 1] in juni 2023 met de werkzaamheden begonnen, maar pas op 9 juli 2023 heeft [naam bedrijf] / [naam 1] een (eerste) offerte uitgebracht;
In de offerte van [naam 1] van 9 juli 2023 wordt nauwelijks btw geoffreerd (te weten € 1,20 btw hoog tarief 21% voor een bedrag van € 5.308,46);
Op de offerte van [naam 1] van 9 juli 2023 staat een persoonlijk rekeningnummer van een bank uit Letland vermeld in plaats van een zakelijk (Nederlands) rekeningnummer.
Deze signalen in onderlinge samenhang beschouwd hadden bij [eiser] alarmbellen moeten doen rinkelen, temeer gelet op het niet onaanzienlijke bedrag van de opdracht. In een dergelijk geval mag van een consument worden verwacht dat hij nader onderzoek uitvoert naar de identiteit van zijn opdrachtnemer. Het is niet gebleken dat [eiser] enige aandacht aan genoemde signalen heeft besteed en dat wordt hem - in welke hoedanigheid dan ook - aangerekend.
2.8.
Omdat alle goederen van [naam 1] onder bewind zijn gesteld en de bewindvoerder q.q. zich mag beroepen op de ongeldigheid van de rechtshandeling van [naam 1], wijst de kantonrechter de eis van [eiser] - als gezegd - af.
Ten overvloede; de schuldenproblematiek van [naam 1]
2.9.
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat tijdens de zitting is gebleken dat de schulden van [naam 1] rond de € 80.000,00 bedragen, dat [naam 1] de bewindvoerder q.q. niet (altijd) op correcte wijze informeert en dat een door de bewindvoerder q.q. aangevraagd schuldhulpverleningstraject is afgewezen. De kantonrechter geeft daarom aan [eiser] mee dat zelfs bij een toewijzend vonnis de kans dat hij vergoeding van de door hem geleden schade zou hebben gekregen nihil moet worden geacht.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.10.
[eiser] krijgt ongelijk in deze procedure, maar dat staat er niet aan in de weg dat [naam 1] tijdens het aangaan van de overeenkomst heeft verzuimd om over zijn bewind te vertellen en dat siert hem allerminst. Het voert dan ook te ver om een proceskostenveroordeling volledig ten nadele van [eiser] uit te spreken. De kantonrechter ziet aanleiding om te bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij alleen de eigen kosten draagt. De bewindvoerder q.q. heeft bij antwoord nog stellingen ingenomen over de schending van de substantiëringsplicht / rauwelijks dagvaarden door [eiser], maar die stellingen maken dit oordeel niet anders.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis van [eiser] af;
3.2.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
44240