De veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaar voor een ernstig geweldsdelict en kwam aanvankelijk in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling op 19 september 2024. Op verzoek van het Openbaar Ministerie werd deze invrijheidstelling reeds uitgesteld met drie maanden vanwege zorgen over het verblijfadres.
Op 14 november 2024 diende het Openbaar Ministerie een vordering in tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 90 dagen, omdat er geen geschikte woonplaats beschikbaar was en de reclassering een begeleid wonen-traject noodzakelijk achtte. De reclassering bracht rapporten uit waarin werd gewezen op disciplinaire incidenten in detentie, ongeschikte woonadressen van familieleden en veiligheidsrisico’s door het criminele netwerk van de veroordeelde.
Tijdens de openbare terechtzitting op 7 januari 2025 werden de veroordeelde, zijn raadsman, de officier van justitie en deskundigen van de reclassering gehoord. De veroordeelde betwistte de noodzaak van begeleid wonen en stelde dat hij voldoende zelfredzaam is. De rechtbank oordeelde echter dat gezien de gedragsproblemen, ongeschikte woonadressen en het ontbreken van zelfstandige woonervaring, het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling gerechtvaardigd was.
De rechtbank besloot de vordering van het Openbaar Ministerie toe te wijzen en stelde de voorwaardelijke invrijheidstelling uit met een termijn van 90 dagen, zodat de reclassering een passende woon- en begeleidingsoplossing kan onderzoeken en voorbereiden.