Het gerechtshof heeft aan de veroordeelde bij arrest van 24 maart 2020 een ontnemingsmaatregel opgelegd tot betaling van €196.847,90, met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen. De Hoge Raad heeft op 15 februari 2022 het cassatieberoep van de veroordeelde verworpen, waardoor de maatregel onherroepelijk werd.
De officier van justitie heeft op 25 maart 2024 een vordering ingediend tot machtiging van gijzeling voor 540 dagen wegens niet-betaling. Het CJIB heeft meerdere pogingen gedaan om de veroordeelde aan te schrijven op het juiste adres, inclusief via zijn advocaat, maar zonder resultaat. De veroordeelde is geëmigreerd en als niet-ingezetene geregistreerd.
De veroordeelde is niet verschenen op de zitting, maar zijn raadsvrouw wel, die verklaarde geen contact te hebben kunnen krijgen en niet gemachtigd was om te verdedigen. De rechtbank concludeert dat het CJIB voldoende inspanningen heeft verricht om de maatregel te executeren, maar de veroordeelde niet heeft voldaan aan zijn betalingsverplichting.
Daarom wijst de rechtbank de vordering toe en verleent zij de machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van 540 dagen. De beslissing is op 10 januari 2025 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam.