In deze zaak tussen Stichting De Leeuw van Putten en de huurder van een woning te Rotterdam staat de verplichting tot tuinonderhoud centraal. De huurder voldoet niet aan zijn contractuele verplichting om de tuin te onderhouden, ondanks herhaalde verzoeken van de verhuurder. Tijdens de zitting erkenden partijen dat onderhoud noodzakelijk is, waarbij de huurder aangaf niet zelf te kunnen onderhouden en een andere woning nodig te hebben.
De kantonrechter oordeelt dat de omstandigheden van de huurder hem niet ontslaan van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en de aanvullende tuinonderhoudsovereenkomst. Daarom wordt de vordering van de verhuurder toegewezen, waarbij de huurder wordt veroordeeld de tuin binnen veertien dagen in verzorgde staat te brengen en periodiek te onderhouden.
Indien de huurder dit nalaat, wordt de verhuurder gemachtigd om het onderhoud op kosten van de huurder te laten uitvoeren, met een maximum van twee keer per jaar. Tevens wordt de huurder veroordeeld tot betaling van de proceskosten en de kosten van het onderhoud. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd.