Eiser heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) verzocht om handhavend op te treden tegen Stichting Wooncompagnie wegens vermeende misleidende informatie aan huurders over het niet meer kunnen koken op aardgas in hun woningen, gebaseerd op oneerlijke handelspraktijken volgens artikel 6:193a BW.
De ACM wees het verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank oordeelde dat eiser geen belanghebbende is bij het doen van het handhavingsverzoek omdat hij geen voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat zich onderscheidt van anderen die dezelfde informatie ontvingen.
Op grond van jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (ECLI:NL:CBB:2024:498 en ECLI:NL:CBB:2024:916) is een persoonlijk belang vereist voor ontvankelijkheid. Eiser kon dit niet aantonen en gaf ter zitting toe dat zijn belang niet verschilt van dat van anderen. Daarom was de reactie van ACM geen besluit en had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, en veroordeelde ACM tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser.