In deze civiele procedure staat een geschil centraal tussen een Nederlandse rechtspersoon en meerdere Bosnische partijen over een onrechtmatige activa/passiva-transactie binnen een gezamenlijke onderneming. Eiseres heeft conservatoir beslag gelegd op een bedrag van ruim 3,7 miljoen euro bij een van de gedaagden.
Gedaagden vorderen in incidentele procedures de opheffing van dit beslag en betwisten de internationale bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam. Zij stellen dat de vordering summierlijk ondeugdelijk is en dat eiseres de waarheidsplicht heeft geschonden bij het leggen van het beslag.
De rechtbank oordeelt dat eiseres niet onrechtmatig heeft gehandeld in haar beslagaanvraag en dat de vordering niet summierlijk ondeugdelijk is. De rechtbank weegt de belangen en concludeert dat het beslag gehandhaafd blijft om verhaal van de vordering mogelijk te maken. De rechtbank bevestigt haar internationale bevoegdheid en wijst het verzoek tot opheffing van het beslag af.
De proceskosten worden toegerekend aan gedaagden die in het ongelijk zijn gesteld. De hoofdzaak zal worden voortgezet met een schriftelijke ronde en mondelinge behandeling, waarbij ook Bosnisch recht relevant is.
Het vonnis is gewezen door drie rechters en op 12 februari 2025 in het openbaar uitgesproken.