In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van een diervoederbedrijf tegen een boete van €5.000,- gegrond verklaard. De boete was opgelegd wegens het niet onverwijld melden van een mogelijke salmonellabesmetting in een partij sojaschroot aan de NVWA, in strijd met artikel 20, derde lid, van Verordening 178/2002.
De rechtbank oordeelde dat de partij sojaschroot op het moment van detectie nog een onverwerkte grondstof was en nog niet in de handel was gebracht. De definitie van 'in de handel brengen' vereist dat het product voorhanden is met het oog op verkoop, wat hier niet het geval was omdat de grondstof nog verwerkt moest worden tot diervoeder. De rechtbank volgde de uitleg van de Europese Commissie dat interne processen voor verkoop voltooid moeten zijn om van in de handel brengen te spreken.
Verder stelde de rechtbank vast dat het serotype Havanna, dat in de grondstof werd aangetroffen, niet onder de meldplicht viel volgens de Regeling diervoeders 2012. Ook was er een hittebehandeling toegepast die salmonella afdoodde voordat het eindproduct in de handel werd gebracht. Hierdoor bestond geen meldingsplicht op het moment van detectie.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor de boete komt te vervallen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter S. Veling op 27 februari 2025.