De rechtbank Rotterdam behandelde op 3 februari 2025 het verzoek van de Servische autoriteiten tot uitlevering van de opgeëiste persoon, geboren in 1995, voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke gevangenisstraf van drie jaar. Deze straf is opgelegd wegens illegale productie en handel in verdovende middelen, strafbaar gesteld onder artikel 246, eerste lid, van het Servische Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank stelde vast dat het verzoek voldeed aan de formele eisen van het Europees verdrag betreffende uitlevering en de Nederlandse Uitleveringswet. De identiteit van de opgeëiste persoon werd bevestigd en de stukken werden als genoegzaam beoordeeld. Tevens werd vastgesteld dat het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht ook onder Nederlands recht strafbaar is, namelijk als opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
De opgeëiste persoon heeft geen onschuld aangetoond. Gezien de voldane voorwaarden en het ontbreken van beletselen, verklaarde de rechtbank de uitlevering toelaatbaar en adviseerde de minister van Justitie en Veiligheid dienovereenkomstig.