ECLI:NL:RBROT:2025:2551
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugsvondst
De burgemeester van Rotterdam besloot de woning van verzoeker te sluiten voor drie maanden vanwege de vondst van ruim 1,5 kilo harddrugs en ruim 2 kilo versnijdingsmiddelen in de woning en een kelderbox die verzoeker beheerde. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om in de woning te mogen blijven.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek in een spoedprocedure en stelde vast dat er sprake was van een spoedeisend belang, omdat zonder voorlopige voorziening verzoeker drie maanden geen toegang tot zijn woning zou hebben. De burgemeester is op grond van artikel 13b Opiumwet bevoegd tot sluiting bij handelshoeveelheden harddrugs, en de aangetroffen hoeveelheden waren aanzienlijk.
Verzoeker voerde aan dat er geen overlast was en dat een minder ingrijpende maatregel passend zou zijn, maar de rechter oordeelde dat de omvang van de drugs en de inrichting van een versnijdingsruimte een sluiting rechtvaardigen. Ook de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, zoals het ontbreken van alternatief onderdak en mogelijke gevolgen voor zijn bijstandsuitkering, wogen niet zwaarder dan het algemeen belang bij handhaving van het woon- en leefklimaat.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de sluiting evenwichtig is en wees het verzoek af. De burgemeester mag de woning sluiten en er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugsvondst wordt afgewezen.