ECLI:NL:RBROT:2025:2585

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
FT RK 25/15 – FT RK 25/16
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning wegens beschermingsbewind en tijdige huurbetaling

Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om een moratorium van zes maanden toe te wijzen en de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 9 oktober 2024. Verzoekster ontving een WAJONG-uitkering en toeslagen, en had de huur over januari en februari 2025 tijdig voldaan. Tevens was beschermingsbewind ingesteld vanaf 10 februari 2025.

Verweerster, de verhuurder, was op de zitting niet verschenen en had geen verweer gevoerd. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoekster om met haar minderjarige dochter in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder woog dan het belang van verweerster.

De rechtbank stelde als voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig betaald blijven worden en bepaalde dat schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor het aflopen van de voorziening verslag moet uitbrengen. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. De moratoriumvoorziening geldt voor zes maanden vanaf 7 januari 2025.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schorst de ontruiming van de huurwoning onder de voorwaarde van tijdige huurbetaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 20 februari 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 7 januari 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 7 januari 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 14 februari 2025.
Ter zitting van 14 februari 2025 is verschenen en gehoord:
- de heer M. Draer, werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
[verweerster] , gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster), is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster ontvangt inkomen uit een WAJONG-uitkering. Daarnaast ontvangt verzoekster huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget. De huur bedraagt € 644,45 per maand. Verzoekster heeft de huur over januari 2025 tijdig op 20 december 2025 betaald en schuldhulpverlening heeft ter zitting bevestigd dat ook de huur over februari 2025 tijdig op 24 januari 2025 door verzoekster is betaald. Daarnaast is er sinds 10 februari 2025 sprake van beschermingsbewind, waardoor ook voldoende is gewaarborgd dat de lopende termijnen tijdig zullen worden betaald.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 29 november 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 8 januari 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden, opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw, waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij met haar minderjarige dochter in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 oktober 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft een WAJONG-uitkering en ontvangt daarnaast huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget, waarmee zij voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over januari 2025 is tijdig op 20 december 2024 voldaan. Hiervan is een betalingsbewijs overgelegd. Ook heeft de schuldhulpverlener ter zitting verklaard dat de huur over februari 2025 tijdig op 24 januari 2025 door verzoekster is betaald. Daarnaast is sinds 10 februari 2025 sprake van beschermingsbewind ten aanzien van verzoekster, waardoor ook voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat op korte termijn het minnelijk traject zal worden opgestart.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 9 oktober 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] , [postcode] te [plaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
7 januari 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2025.