Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
2.Het verzoek
3.Het verweer
4.De beoordeling
5.De beslissing
7 januari 2025;
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om een moratorium van zes maanden toe te wijzen en de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 9 oktober 2024. Verzoekster ontving een WAJONG-uitkering en toeslagen, en had de huur over januari en februari 2025 tijdig voldaan. Tevens was beschermingsbewind ingesteld vanaf 10 februari 2025.
Verweerster, de verhuurder, was op de zitting niet verschenen en had geen verweer gevoerd. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoekster om met haar minderjarige dochter in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder woog dan het belang van verweerster.
De rechtbank stelde als voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig betaald blijven worden en bepaalde dat schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor het aflopen van de voorziening verslag moet uitbrengen. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. De moratoriumvoorziening geldt voor zes maanden vanaf 7 januari 2025.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schorst de ontruiming van de huurwoning onder de voorwaarde van tijdige huurbetaling.