De vrouw heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot ontkenning van het vaderschap van de man over hun minderjarige kind, geboren in september 2022. De procedure omvatte benoeming van een bijzondere curator en een mondelinge behandeling waarbij de vrouw niet is verschenen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het Nederlandse recht van toepassing is op de familierechtelijke betrekkingen en het verzoek tot ontkenning, mede vanwege de gewone verblijfplaats van partijen in Nederland ten tijde van de geboorte. De vrouw stelde dat de biologische vader een ander persoon is en dat de man niet de verwekker kan zijn.
De rechtbank oordeelde dat de enkele stelling van de vrouw en de referteverklaring van de man onvoldoende bewijs vormen om het vaderschap te ontkennen. De ontkenning van vaderschap betreft een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Omdat partijen geen nadere toelichting hebben gegeven en het verslag van de bijzondere curator geen aanvullende onderbouwing bood, wees de rechtbank het verzoek af.
De bijzondere curator werd ontslagen, tenzij er hoger beroep wordt ingesteld. De proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden.