ECLI:NL:RBROT:2025:2929

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 maart 2025
Publicatiedatum
5 maart 2025
Zaaknummer
C/10/690098 / JE RK 24-2549
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:261 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing ondertoezichtstelling minderjarige kinderen na beëindiging ouderlijke strijd

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht de rechtbank Rotterdam om de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen op te heffen. De kinderen wonen bij hun moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag heeft. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot april 2025.

Tijdens de zitting, waar de vader aanwezig was maar de moeder niet, gaf de instelling aan dat de ouders hun strijd hebben gestaakt, wat rust voor de kinderen brengt. Hoewel er nog enige conflicten zijn, acht de instelling een ondertoezichtstelling niet langer effectief en is een borgingsplan opgesteld voor toekomstige conflicten.

De vader voerde geen verweer en erkende dat de ondertoezichtstelling niet het gewenste effect had gehad, maar dat er nu een werkbare situatie is ontstaan. De kinderrechter oordeelde dat de grond voor ondertoezichtstelling niet langer aanwezig is en besloot deze op te heffen. Wel benadrukte de rechter het belang van blijvende communicatie tussen de ouders om terugval in conflicten te voorkomen en de rust voor de kinderen te waarborgen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt opgeheven omdat de grond voor toezicht niet langer aanwezig is.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/690098 / JE RK 24-2549
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 25 november 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 27 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A]
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 5 april 2024 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 16 april 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op te heffen en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. De ouders zijn gestopt met de strijd, wat zorgt voor rust bij de kinderen. Hoewel er nog enige ruis tussen de ouders is, zal een ondertoezichtstelling dit probleem niet verhelpen. Er is een borgingsplan opgesteld waarin staat waar de ouders terecht kunnen als zij er samen niet uitkomen. Het meest haalbare is inmiddels bereikt; de resterende kwesties moeten de ouders zelf oplossen. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij hen.

4.Het standpunt van de vader

4.1.
Door de vader wordt geen verweer gevoerd. De vader heeft destijds bewust een ondertoezichtstelling verzocht, omdat de vader er samen met de moeder niet uitkwam. De ondertoezichtstelling heeft tot nu toe niet het gewenste effect gehad, aangezien de problemen nog steeds bestaan. Er is al meerdere keren een ouderschapsplan opgesteld, maar de moeder weigert dit te ondertekenen. Daarnaast loopt er een alimentatierechtszaak. Hoewel de problemen nog niet volledig zijn opgelost, is er inmiddels wel een werkbare situatie ontstaan. De situatie wordt nu op een bepaalde manier geaccepteerd. Waar in het begin veel strijd was, is dat nu niet meer het geval.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:261 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI opheffen, indien de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW, niet langer is vervuld. De kinderrechter overweegt hierover het volgende.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat een ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet langer noodzakelijk is. Daarom is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling moet worden opgeheven. De kinderrechter wil de ouders echter nadrukkelijk meegeven dat, hoewel de ondertoezichtstelling niet meer nodig is, de situatie nog steeds risico’s met zich meebrengt. De ouders hebben de situatie weliswaar geaccepteerd en zich neergelegd bij de strijd, maar het blijft cruciaal dat zij in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] blijven communiceren. De ouders moeten voorkomen dat zij terugvallen in oude conflicten en op een constructieve manier overeenstemming bereiken over het ouderschapsplan, zodat de rust voor de kinderen gewaarborgd blijft.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
heft de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op met ingang van heden;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. H. Mol, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.