Op 6 februari 2025 ontving de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift van een gemachtigde van vennootschappen, waarin werd gevraagd de samenwerkingsovereenkomst met de verweerster te ontbinden. De kantonrechter stelde vast dat dit verzoekschrift onjuist was ingediend, omdat een dagvaarding vereist is voor deze procedure. Verzoeker kreeg de mogelijkheid om de tegenpartij alsnog correct te dagvaarden.
Daarnaast werd benadrukt dat in het oproepingsproces duidelijk moet worden vermeld wie de procespartijen zijn, aangezien uit het verzoekschrift niet helder bleek dat de vennootschappen de eisers zijn en de verweerster de gedaagde. Tevens werd de bevoegdheid van de kantonrechter ter discussie gesteld, omdat de waarde van het geschil vermoedelijk hoger is dan € 25.000 en de zaak niet onder de exclusieve kantonrechterlijke bevoegdheid valt.
Verzoeker werd opgedragen binnen een gestelde termijn duidelijkheid te verschaffen over de absolute en relatieve bevoegdheid van de kantonrechter. Bij het uitblijven van een correcte dagvaarding zou verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard en de zaak niet inhoudelijk worden behandeld. De procedure wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure en de zaak wordt verwezen naar een rolzitting op 25 maart 2025.