Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser 1],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 26 februari 2025 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- de akte na tussenvonnis van PZC;
- de antwoordakte na tussenvonnis van de curatoren.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vorderen curatoren de voortzetting van een zorg- en dienstverleningsovereenkomst en verzet gedaagde zich tegen overplaatsing naar een andere zorginstelling. De voorzieningenrechter had eerder geoordeeld dat de beperking van kennisneming van bepaalde MIM’s door gedaagde niet gerechtvaardigd was.
Gedaagde, Protestantse Zorggroep Crabbehoff (PZC), weigert echter alsnog om de MIM’s volledig toegankelijk te maken voor de curatoren, wil twee MIM’s helemaal niet in het geding brengen en wil de overige MIM’s verder anonimiseren dan de voorzieningenrechter al heeft gezien. Dit wordt gezien als een weigering in de zin van artikel 22 lid 4 Rv Pro.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het aangepaste standpunt van PZC niet binnen het wettelijke kader past en verwijst de zaak daarom naar een andere voorzieningenrechter voor verdere behandeling. Tevens wordt vastgesteld dat PZC onvoldoende heeft onderbouwd dat inzage in de MIM’s de persoonlijke levenssfeer van haar werknemers onevenredig zou schaden.
De voorzieningenrechter ziet geen ruimte om af te zien van verwijzing of om alvast een beslissing te nemen over de bezoekregeling zonder dat beide partijen kennis hebben genomen van alle stukken. De zaak wordt aangehouden en partijen wordt gevraagd hun beschikbaarheid door te geven voor een nieuwe mondelinge behandeling.
Uitkomst: De zaak wordt verwezen naar een andere voorzieningenrechter en verdere beslissing wordt aangehouden.