ECLI:NL:RBROT:2025:3272

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
12 maart 2025
Zaaknummer
C/10/695045 / KG ZA 25-172
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling fruitfactuur toegewezen ondanks financiële problemen gedaagde

Fruits CMR, een Spaanse rechtspersoon, heeft fruit geleverd aan Davis Europe B.V., die de facturen niet heeft voldaan. Ondanks sommatie bleef betaling uit, waarna eiseres een kort geding startte om een voorschot van €95.000 te vorderen.

Gedaagde erkende de schuld maar verweerde zich met betalingsonmacht vanwege financiële problemen veroorzaakt door de coronacrisis en persoonlijke tegenslagen. Het bedrijf staat op het punt haar activiteiten te beëindigen en is bereid tot overleg over gedeeltelijke betaling.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering voldoende aannemelijk is en dat eiseres een spoedeisend belang heeft vanwege noodzakelijke betalingen. Het risico dat gedaagde niet kan terugbetalen weegt niet zwaarder dan het belang van eiseres. Daarom wordt het voorschot toegewezen, met veroordeling van gedaagde in proceskosten en wettelijke rente over de proceskosten.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, zodat eiseres direct kan incasseren, ook bij hoger beroep. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot van €95.000, proceskosten en wettelijke rente, met uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/695045 / KG ZA 25-172
Vonnis in kort geding van 11 maart 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar vreemd recht
FRUITS CMR, S.A.,
gevestigd te El Prat De Llobregat, Spanje,
eiseres,
advocaat mr. J.A.A. van de Ven te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DAVIS EUROPE B.V.,
gevestigd te Ridderkerk,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.

1.Waar gaat de zaak over?

Eiseres heeft fruit verkocht aan gedaagde en vordert betaling daarvan. Gedaagde heeft financiële problemen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding, met 5 producties.
De mondelinge behandeling was op 4 maart 2025.

3.Het geschil en de beoordeling

3.1.
Eiseres heeft fruit verkocht en geleverd aan gedaagde. Gedaagde heeft, ook na sommatie, de facturen voor het gekochte fruit niet voldaan.
3.2.
Eiseres vordert, deels samengevat, betaling van een voorschot van € 95.000, vermeerderd met proceskosten inclusief nakosten alsmede “
de wettelijke rente (bij handelstransacties)” over deze kosten.
3.3.
Het verweer van gedaagde is: het klopt dat wij fruit gekocht hebben van eiseres en dat wij dat niet betaald hebben. Dat komt niet door betalingsonwil maar door betalingsonmacht. Wij zijn in de financiële problemen geraakt, mede door de coronacrisis. Wij leverden veel fruit aan de horeca en die was dicht tijdens de coronacrisis. Ook is sprake van tegenslag in de persoonlijke sfeer. Ons bedrijf gaat vanwege de financiële problemen binnenkort zijn activiteiten beëindigen. Wij zijn bereid het gesprek aan te gaan met eiseres om te kijken of wij de rekening misschien deels wel kunnen betalen.
3.4.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
3.5.
De vordering zal worden toegewezen. Gedaagde erkent de vordering, dus het bestaan van de vordering is buiten twijfel. Het is ook aannemelijk dat eiseres het geld dringend nodig heeft voor noodzakelijke betalingen die op korte termijn gedaan moeten worden, zoals zij stelt. Gedaagde weerspreekt dat ook niet. Eiseres heeft dus een spoedeisend belang. Nu de vordering is erkend is ook niet aannemelijk dat gedaagde zal proberen om in een bodemprocedure haar geld terug te krijgen en zeker niet dat gedaagde zo’n procedure zou kunnen winnen. Dan maakt niet zoveel meer uit of eiseres het geld dan nog wel zou kunnen terugbetalen.
proceskosten
3.6.
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiseres worden begroot op:
- dagvaarding € 148,04
- griffierecht € 2.995,00
- salaris advocaat € 715,00 (tarief eenvoudig kort geding)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.036,04
3.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Voor zover eiseres met haar vordering bedoelt om (hogere) wettelijke
handelsrentete vorderen over de proceskosten in plaats van de (lagere) ‘gewone’ wettelijke rente, wordt dat afgewezen. Wettelijke handelsrente is verschuldigd bij te late betaling ingeval van een handelsovereenkomst. Een proceskostenveroordeling is geen handelsovereenkomst.
uitvoerbaar bij voorraad
3.8.
Het vonnis zal, zoals gevorderd en niet weersproken, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat wil zeggen dat eiseres het vonnis ten uitvoer mag leggen ook als gedaagde daartegen hoger beroep aantekent.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt gedaagde tot betaling van een voorschot ten bedrage van € 95.000 (zegge: vijf en negentig duizend euro),
4.2.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 4.036,04 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.3.
veroordeelt gedaagde in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan
4.4.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025.
[2517/106]