ECLI:NL:RBROT:2025:3361
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen afstel voorwaardelijke invrijheidstelling ongegrond verklaard
De veroordeelde was bij vonnis van 20 november 2023 veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf en kwam op 20 januari 2025 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Zowel de directeur van de penitentiaire inrichting als de reclassering adviseerden in het najaar van 2024 tot afstel van de v.i. vanwege onvoldoende bijzondere geschiktheid en hoge risico’s op recidive, die niet met voorwaarden konden worden beperkt.
De veroordeelde en zijn verdediging voerden aan dat zijn gedrag sinds augustus 2024 was verbeterd, dat disciplinaire straffen onterecht waren en dat hij passende huisvesting bij zijn moeder kon vinden. Ook werd gesteld dat afstel van de v.i. recidiveverhogend zou werken en dat bijzondere voorwaarden gewenst waren.
Het Openbaar Ministerie handhaafde het besluit tot afstel, stellende dat de veroordeelde slechts 23% gewenst gedrag had getoond, meerdere disciplinaire straffen had gekregen vanwege agressie en contrabande, geen passende woonruimte had geregeld, en geen duurzame motivatie toonde voor gedragsverandering.
De rechtbank overwoog dat het OM bij de beslissing in redelijkheid tot afstel van de v.i. had kunnen komen op basis van de adviezen en de gedragsgeschiedenis. Hoewel er recent positieve ontwikkelingen waren, waren deze onvoldoende om het besluit te wijzigen. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wees erop dat bij blijvende verbetering een heroverweging mogelijk is.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard.