De wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot wraking van mr. S. Wierink, rechter in een civiele zaak over voorlopige voorzieningen. Verzoeker stelde dat de rechter partijdig was vanwege het plannen van een mondelinge behandeling op data waarop de advocaat van verzoeker verhinderd was en het niet toekennen van een aanhouding van de zitting.
De wrakingskamer oordeelde dat wraking alleen mogelijk is bij objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid, waarvoor zware aanwijzingen nodig zijn. De kamer stelde vast dat de rechter mondeling uitspraak had gedaan op twee van de vier verzoeken, waartegen alleen hoger beroep openstaat, waardoor het wrakingsverzoek hierover niet-ontvankelijk was.
Voor de resterende verzoeken was verzoeker ontvankelijk, maar de kamer vond dat de procedurele beslissing tot planning van de zitting niet als vooringenomenheid kon worden aangemerkt. Ondanks communicatieproblemen met de advocaat van verzoeker was er geen bewijs van partijdigheid. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen.