ECLI:NL:RBROT:2025:3406

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 maart 2025
Publicatiedatum
13 maart 2025
Zaaknummer
C/10/675134 / HA ZA 24-212
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht ondertekening akte en betalingsregeling lening niet geslaagd

In deze civiele procedure vordert eiseres bewijs dat gedaagde een akte van 11 juni 2023 heeft ondertekend. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet is geslaagd in haar bewijsopdracht. Het bewijs bestond uit verklaringen van eiseres zelf en drie getuigen, waarvan slechts de verklaring van eiseres zelf relevant was. Gedaagde ontkent de ondertekening. Omdat het woord van eiseres tegen dat van gedaagde staat en eiseres geen handschriftdeskundige heeft ingeschakeld, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde de akte heeft ondertekend.

De rechtbank draagt vervolgens aan gedaagde op om te bewijzen dat partijen een betalingsregeling zijn overeengekomen voor de aflossing van een door hem erkende lening van €50.000. Indien gedaagde getuigen wil horen, moet hij deze binnen twee weken opgeven, waarna de rechtbank een datum voor het getuigenverhoor zal bepalen. Ook kan gedaagde ander bewijs aandragen, mits tijdig gemeld. De verdere beslissing wordt aangehouden.

De procedure omvatte een tussenvonnis van 16 oktober 2024, getuigenverhoor op 31 januari 2025 en het vonnis van 12 maart 2025. De rechtbank benadrukt dat voor bewijslevering een redelijke mate van zekerheid vereist is, niet onomstotelijk bewijs. De zaak wordt voortgezet met bewijslevering door gedaagde over de betalingsregeling.

Uitkomst: Eiseres is niet geslaagd in haar bewijs dat gedaagde de akte heeft ondertekend; gedaagde wordt opgedragen bewijs te leveren over de betalingsregeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/675134 / HA ZA 24-212
Vonnis van 12 maart 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonende te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. M.P. Harten te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. Ch.M. van Beuningen te Den Haag.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 16 oktober 2024 en de daarin genoemde processtukken;
  • de akte na tussenvonnis van [eiseres] van 30 oktober 2024;
  • het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 31 januari 2025.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

[eiseres] slaagt niet in haar bewijsopdracht dat [gedaagde] de akte van 11 juni 2023 heeft ondertekend

2.1.
De rechtbank heeft aan [eiseres] opgedragen te bewijzen dat [gedaagde] de akte van
11 juni 2023 heeft ondertekend. Zij is daarin niet geslaagd.
2.2.
Voor het oordeel dat een partij is geslaagd in een op haar rustende bewijsopdracht moet de rechter een redelijke mate van zekerheid hebben dat het betreffende feit zich heeft voorgedaan. Met andere woorden: het feit moet voor de rechter voldoende aannemelijk zijn. Niet is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan.
2.3.
[eiseres] heeft bewijs willen leveren met het horen van vier getuigen, waaronder zijzelf. [eiseres] heeft zelf verklaard dat alleen [eiseres] en [gedaagde] op 11 juni 2023 aanwezig zijn geweest bij de gestelde ondertekening en dat [gedaagde] die dag bij haar thuis de akte van
heeft ondertekend. De verklaringen van de vriendin en de zoon van [eiseres] gaan over dat wat [eiseres] aan hen heeft verteld over de gestelde ondertekening, eerst nadat de relatie van partijen al was beëindigd. De relatietherapeut heeft verklaard niets te weten over of de lening van [eiseres] aan [gedaagde] op papier is gezet. Daarmee bestaat het door [eiseres] geleverde bewijs middels het getuigenverhoor per saldo alleen uit haar eigen verklaring dat [gedaagde] de akte van 11 juni 2023 heeft ondertekend.
2.4.
Tegenover het door [eiseres] geleverde bewijs staat de verklaring van [gedaagde] in het tegenverhoor, dat hij de betreffende akte niet heeft ondertekend.
2.5.
Bij bewijslevering blijft het hierdoor het woord van [eiseres] tegen het woord van [gedaagde] . Zodoende heeft [eiseres] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] de akte van 11 juni 2023 heeft ondertekend. [eiseres] heeft afgezien van bewijslevering door middel van een handschriftdeskundige. Daarmee is niet vast komen te staan dat [gedaagde] de akte van 11 juni 2023 heeft ondertekend.
Aan [gedaagde] wordt bewijsopdracht gegeven over de door hem gestelde betalingsregeling
2.6.
Zoals geoordeeld in het tussenvonnis van 16 oktober 2024, betekent het voorgaande dat de rechtbank aan [gedaagde] zal opdragen te bewijzen dat partijen de door [gedaagde] gestelde betalingsregeling hebben afgesproken voor de aflossing van de door hem gestelde en erkende lening van € 50.000,-.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
draagt [gedaagde] op te bewijzen dat partijen de door hem gestelde betalingsregeling hebben afgesproken voor de aflossing van de door hem gestelde en erkende lening van € 50.000,-;
3.2.
bepaalt dat [gedaagde] , indien hij getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de afdeling planning van de sector civiel – de namens hem te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden april 2025 tot en met september 2025 moeten opgeven, waarna dag/dagen en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;
3.3.
bepaalt dat indien [gedaagde] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. A.C. Rop in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125;
3.4.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;
3.5.
bepaalt dat [gedaagde] , indien hij het bewijs niet (uitsluitend) door getuigen wil leveren maar (ook) door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de afdeling planning van de sector civiel – en aan de wederpartij moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.
[3718/2819]