Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:3448

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
11059674 CV EXPL 24-1883
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tuinaanleg met gebreken: tuinman veroordeeld tot vervangende schadevergoeding

De eiser sloot met de tuinman een overeenkomst voor tuinaanleg tegen een aanneemsom van €10.204,85. Na uitvoering van de werkzaamheden klaagde de eiser over diverse gebreken, waaronder slechte bestrating, scheve schutting en ondeugdelijke montage van een tuindeur. Ondanks ingebrekestelling en meerdere verzoeken herstelde de tuinman de gebreken niet.

De eiser schakelde een deskundig bedrijf in dat de gebreken bevestigde en herstelkosten begrootte op €5.926,20. De eiser zette de nakoming om in een vordering tot vervangende schadevergoeding en vorderde betaling van €6.815,04, inclusief kosten van het deskundigenbureau en verrekening van een onbetaald deel van de aanneemsom.

De tuinman voerde verweer dat hij niet hoefde te herstellen omdat het werk niet was opgeleverd en dat hij was gestopt vanwege bedreigingen door de eiser. De rechtbank verwierp dit verweer, oordeelde dat de tuinman tekort was geschoten in zijn verplichtingen en dat de eiser de omzetting naar schadevergoeding rechtsgeldig had gedaan.

De kantonrechter veroordeelde de tuinman tot betaling van de gevorderde schadevergoeding, incassokosten en proceskosten, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De tuinman wordt veroordeeld tot betaling van €6.815,04 vervangende schadevergoeding, incassokosten en proceskosten wegens gebrekkige tuinaanleg.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11059674 CV EXPL 24-1883
datum uitspraak: 6 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1],
eiser,
gemachtigden: mr. V.J.R. Tjien-Fooh en mr. N. Badawi,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de naam [handelsnaam 1],
woonplaats: [woonplaats 2],
gedaagde,
die zelf procedeert.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 9 april 2024, met bijlagen 1-14;
  • het antwoord van 28 mei 2024, met bijlage 1;
  • de spreekaantekeningen van mr. Badawi voor de zitting van 12 februari 2025.
1.2.
Op 12 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig namens [eiser]: [naam 1] (vriendin van [eiser]), mr. Tjien-Fooh en mr. Badawi. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen. Hij is bij brief van 14 oktober 2024 op de hoogte gesteld van de gewijzigde zittingsdatum.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] houdt zich bezig met onder meer tuinaanleg. Hij handelt ook onder de naam “[handelsnaam 2]”.
2.2.
[gedaagde] heeft op 1 september 2022 een offerte aan [eiser] uitgebracht voor het verwijderen van groenresten en bestrating in de bestaande tuin en het aanleggen van een nieuwe tuin. De werkzaamheden omvatten het plaatsen van een houten schutting met tuindeur, het bestraten van de tuin en het leggen van kunstgras. De aanneemsom bedroeg € 10.124,85 inclusief btw.
2.3.
[eiser] heeft de offerte aanvaard. Op 2 september 2022 heeft [eiser] € 8.700,00 aanbetaald.
2.4.
Partijen zijn nader overeengekomen dat [gedaagde] een buitenkraan zou plaatsen op de bestaande muurplaat tegen een meerprijs van € 80,00. Dat bracht de totale aanneemsom op € 10.204,85. Een offerte voor ander meerwerk heeft niet tot een overeenkomst geleid.
2.5.
[gedaagde] heeft de overeengekomen werkzaamheden uitgevoerd. [eiser] heeft in totaal € 9.500,00 betaald. Een bedrag van € 704,85 is onbetaald gebleven.
2.6.
[eiser] heeft op 17 december 2022 via WhatsApp bij [gedaagde] geklaagd over de werkzaamheden die volgens [eiser] niet naar behoren waren uitgevoerd (”Lijst met dingen niet naar ons zin en zoals afgesproken”). De gebreken zijn niet hersteld. Bij brief van 28 februari 2023 heeft [eiser] [gedaagde] met een termijn van 14 dagen in gebreke gesteld.
2.7.
Ook na 28 februari 2023 is [gedaagde] herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen, maar hij heeft dat ondanks toezeggingen daartoe niet gedaan.
2.8.
[eiser] heeft op 12 september 2023 opdracht verstrekt aan [naam bedrijf] om te onderzoeken of het geleverde werk gebreken vertoont en zo ja, wat de kosten van herstel zullen zijn. Op 27 september 2023 heeft [naam bedrijf] ([naam 2]) de tuin in aanwezigheid van [gedaagde] onderzocht.
2.9.
In een rapport van 1 november 2023 heeft [naam bedrijf] gerapporteerd dat het geleverde werk gebreken vertoont. Het gaat om gebreken aan de tuinverharding (willekeurige uitlijning, losse tegels, niet overal gevoegd, onvoldoende afschot), de schutting (scheuren, palen niet op één lijn, hoogteverschillen), de tuindeur (gebrekkige montage, waardoor de deur niet goed sluit), de verlichting (losse kabels bij de buren) en de tuinkraan (ondeugdelijke bevestiging aan de buitenmuur). [naam bedrijf] heeft de kosten van herstel begroot op € 5.926,20.
2.10.
Bij brief van 2 januari 2024 heeft [eiser] de vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. [gedaagde] is ook ten aanzien van het nakomen van deze verplichting in gebreke gesteld met een termijn van twee weken. [gedaagde] heeft de vervangende schadevergoeding niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] eist samengevat:
  • [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 6.815,04 met rente vanaf 17 januari 2024;
  • [gedaagde] te veroordelen in de incassokosten van € 812,29;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
[eiser] baseert de eis op het volgende. [gedaagde] heeft zich verbonden om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. De verrichte werkzaamheden vertonen gebreken. [gedaagde] heeft die niet hersteld. De verbintenis om de werkzaamheden goed en deugdelijk uit te voeren is omgezet in een verbintenis om vervangende schadevergoeding te betalen. De schade omvat de herstelkosten van € 5.926,20 en de kosten van [naam bedrijf] van € 1.593,69. Na verrekening van het onbetaald gebleven deel van de aanneemsom van € 704.85 resteert een hoofdsom van € 6.815,04.
3.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en hij voert het volgende verweer. De werkzaamheden zijn niet opgeleverd, hij hoefde daarom geen gebreken te herstellen. De laatste termijn van de aanneemsom is niet betaald. [gedaagde] heeft zijn werkzaamheden neergelegd in reactie op bedreigingen door [eiser].

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] heeft gesteld dat de overeengekomen werkzaamheden niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Hij heeft de gestelde gebreken onderbouwd met een rapport van [naam bedrijf]. Dat rapport bevat foto’s waarop de gebreken zijn te zien.
4.2.
[gedaagde] heeft een aantal gebreken betwist. Hij betwist in de eerste plaats dat is overeengekomen dat hij de tegels zou voegen. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat het voegen van de tegels bij de aangenomen werkzaamheden was inbegrepen. De offerte vermeldt immers “aanleggen straatwerk”. Goed en deugdelijk uitgevoerd straatwerk omvat het voegen.
4.3.
In de tweede plaats betwist [gedaagde] dat hij verantwoordelijk is voor het gebrekkig sluiten van de tuindeur. Hij voert hiertoe aan dat de tuindeur kant en klaar is geleverd en niet door hem in elkaar is gezet. Het gebrek betreft echter de montage van de afsluitplaat, niet van de tuindeur. Dat [gedaagde] de afsluitplaat heeft gemonteerd, heeft hij niet betwist.
4.4.
De overige stellingen van [gedaagde] zijn onvoldoende begrijpelijk en lijken niet gericht te zijn tegen de bevindingen van [naam bedrijf], waarop [eiser] zijn vordering baseert.
4.5.
De slotsom is dat de gestelde gebreken vast staan en dat [gedaagde] geen goed en deugdelijk werk heeft geleverd.
4.6.
De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] zo, dat hij zich erop beroept dat [eiser] de verbintenis tot het leveren van goed en deugdelijk werk niet mocht omzetten in een verbintenis tot het betalen van vervangende schadevergoeding, omdat [eiser] zelf in verzuim was (schuldeisersverzuim). De kantonrechter verwerpt dat verweer. Uit de WhatsApp-correspondentie op 17 december 2022 blijkt dat [eiser] het werk niet heeft aanvaard. Er is daardoor niet opgeleverd. Dat ontsloeg [gedaagde] niet uit de verplichting om goed en deugdelijk werk te leveren. Hij is daartoe meer dan eens in de gelegenheid gesteld, maar hij heeft de werkzaamheden niet naar behoren voltooid. Dat dit het gevolg was van bedreiging door [eiser] en waaruit die bedreiging zouden hebben bestaan, heeft [gedaagde] onvoldoende concreet gesteld. De gestelde bedreiging is ook niet te rijmen met de toezeggingen die [gedaagde] deed om de werkzaamheden te voltooien op onder meer 23 december 2022, 27 december 2022, 12 februari 2023, 8 maart 2023, 4 juli 2023 en 1 augustus 2023. Van schuldeisersverzuim is daarom geen sprake. [eiser] mocht betaling van de laatste termijn van de aanneemsom opschorten. Als gevolg van de ingebrekestelling van 28 februari 2023 verkeerde [gedaagde] in verzuim. Dat is hij gebleven totdat op 2 januari 2024 de omzettingsverklaring werd uitgebracht. [eiser] heeft de verbintenis tot nakoming dus rechtsgeldig omgezet in een verbintenis tot het betalen van schadevergoeding en hij mocht de laatste termijn van de aanneemsom met zijn vordering op [gedaagde] verrekenen.
4.7.
[gedaagde] heeft de kosten van herstel die door [naam bedrijf] op een bedrag van € 5.926,20 zijn geraamd niet voldoende onderbouwd betwist. De stelling dat [naam bedrijf] in het algemeen “onervaren en partijdig” is en slechte recensies op Google zou hebben gekregen, is daartoe onvoldoende, nog daargelaten dat [gedaagde] ook dat onvoldoende concreet heeft gemaakt.
4.8.
De kosten van [naam bedrijf] zijn toewijsbaar op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW.
4.9.
Het gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 715,75 betalen
4.10.
De incassokosten worden tot een bedrag van € 715,75 toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro). Het toegewezen bedrag is berekend volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde] moet rente betalen
4.11.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 135,97 aan dagvaardingskosten, € 248,00 aan griffierecht, € 678,00 (2 punten x € 339,00) aan salaris voor de gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.196,97. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 6.815,04 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag vanaf 17 januari 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 715,75;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.196,97, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden en in het openbaar uitgesproken.
[3669]