De rechtbank Rotterdam behandelde een beklag ex artikel 552a Sv tegen beslaglegging door het Europees Openbaar Ministerie (EOM) op 26 februari 2025. Het beklag werd ingediend door drie klagers die zich verzetten tegen de tweede beslaglegging van 28 maart 2024, onder meer vanwege vermeende onrechtmatigheid en disproportionaliteit.
De feiten betreffen een strafrechtelijk onderzoek naar omzetbelastingfraude, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie. Het EOM legde conservatoir beslag op diverse onroerende zaken en bankrekeningen van de klagers, met machtiging van de rechter-commissaris. Klagers voerden aan dat de verdenkingen grotendeels niet standhouden en dat het beslag disproportioneel is.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek nog niet is afgerond, er voldoende verdenking bestaat voor misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een geldboete zal opleggen. Het proportionaliteitsverweer faalde wegens onvoldoende onderbouwing. Eén klager werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de inbeslaggenomen goederen reeds waren geretourneerd.
De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond voor de overige klagers en bevestigde de rechtmatigheid van het beslag. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open.