Verzoekster heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting ontvangen en bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Nadat de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde verzoekster beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Bij intrekking van dit beroep verzocht verzoekster de rechtbank om de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en om vast te stellen dat de heffingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd.
De rechtbank heeft onderzocht of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen, wat een voorwaarde is voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar na het instellen van het beroep geen enkele handeling heeft verricht die als tegemoetkoming kan worden aangemerkt. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af als kennelijk ongegrond.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat zij niet bevoegd is om te bepalen dat de heffingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd, aangezien artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht alleen een proceskostenveroordeling mogelijk maakt. De rechtbank deed de uitspraak zonder zitting en gaf partijen de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van het vonnis.