De man heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot voorlopige voorzieningen, waarbij hij de toevertrouwing van de minderjarige aan hem en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem verzocht. De vrouw is, hoewel opgeroepen, niet verschenen en heeft de verzoeken niet weersproken.
De rechtbank oordeelt dat ondanks de lopende echtscheidingsprocedure in Turkije geen sprake is van litispendentie, omdat de Turkse procedure niet ziet op voorlopige voorzieningen of de minderjarige. De Nederlandse rechter is bevoegd en past Nederlands recht toe, mede op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Feiten tonen aan dat de vrouw de woning op 1 juli 2024 heeft verlaten en sindsdien geen contact heeft gehad met de man en de kinderen. De minderjarige heeft verklaard mishandeld te zijn door de vrouw, wat de man zorgen baart over diens veiligheid. De rechtbank wijst het verzoek tot toevertrouwing en uitsluitend gebruik van de woning toe, verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.